DE OMMEZWAAI: VAN RIJSTTERRASSEN NAAR HEIDEVELDEN

Velen wisten het al, maar een aantal mensen zullen zich hebben afgevraagd waarom er al lange tijd geen nieuw verhaal op mijn blog is verschenen. Het hoogseizoen was al begonnen, dus er gebeurde genoeg, zou je denken. En dat was ook zo. Echter: van het een gebeurde te veel en van het ander te weinig. Ik had weinig tijd en geld om mijn plotseling veranderde situatie het hoofd te bieden en beide heb je nodig als je een gastenverblijf wilt opzetten. In mijn meer fortuinlijke periode heb ik alles ingezet om van mijn nieuwe project een succes te maken, maar het ontbrak me aan tijd om het te laten groeien en aan geld om dat te overbruggen. Het is -zogezegd- in de kinderschoenen blijven steken. In het leven moet je keuzes maken en dat heb ik gedaan. Aan mijn keuze om met het huis in Nyuh Kuning van start te gaan, heb ik vanaf het begin mijn twijfels gehad. Toen het huis nog maar pas was gebouwd, zo’n 4 jaar geleden, was ik er meteen verliefd op. Op dat moment was ik niet in de gelegenheid om het te huren. Toen het mij later werd aangeboden als oplossing voor mijn problemen, was ik meteen enthousiast. Maar ik kreeg ook meteen twijfels. Niet over het huis, dat was nog steeds hetzelfde. Maar de omgeving was veranderd. Drie jaar daarvoor had het huis alleen gestaan, met uitzicht over de vredige sawah’s. Nu stonden er vier nieuwe huizen omheen en dankzij mij kon men starten met de bouw van een vijfde huis, pal naast het mijne. Dat was een tegenvaller. Een andere tegenvaller was de explosief toegenomen verkeersdrukte op de verbindingsweg tussen Pengosekan en Batubulan. De nu en dan gierende motoren raasden langs tot een uur of twaalf in de nacht en in de vroege ochtend, rond vier uur, begon het verkeerslawaai al weer. Als je langer op zo’n plek woont, raak je aan die geluiden gewend en valt het niet meer zo op, maar gasten worden verondersteld enkele dagen tot enkele weken te blijven en dan wordt het als zeer storend ervaren. Een ander nadeel van mijn nieuwe locatie was de langere afsand naar het centrum van Ubud. Het was een wandeling van ruim 15 minuten naar het centrum, te ver om ‘even’ een boodschapje te doen, of ‘even’ te gaan lunchen. En niet iedereen durft in Bali op een motorbike te rijden. Daar komt bij, dat er in Ubud een grote keuze is aan homestays en hotelletjes, waarvan er vele meer voordelen hadden dan het mijne. Ook had ik nog geen reputatie opgebouwd en dat kan ook niet in een half jaar. Het was gedoemd om te mislukken en dat is wat er gebeurde. Ik had geen zin om daarop te wachten. Het verlengen van mijn verblijfsvergunning stond voor de deur en daarna het verlengen van mijn huurcontract voor nog een jaar. Mijn budget was tot een minimum gedaald en er kwamen bijna geen boekingen binnen, dus de vooruitzichten waren zeer ongunstig. In zo’n geval besluiten mensen vaak om over te gaan tot het lenen van geld. In de eerste plaats houd ik daar niet van, want de aflossing doet altijd pijn. In de tweede plaats had ik geen garantie voor succes, integendeel. Mijn besluit was dus snel genomen. Denk niet, dat dit een hard gelag was voor mij. Het nemen van het besluit om ermee te stoppen betekende ook -en vooral- dat ik was ontslagen van de taak om er, tegen beter weten in, het beste van te maken. Het leven werd weer een onbeschreven blad en ik kon nieuwe plannen maken, zij het met een zekere beperking.

Ik heb familie over mijn besluit ingelicht en kreeg meteen van mijn dochter te horen, dat ik welkom was bij haar en haar gezin tot ik mijn zaken geregeld zou hebben. En zo is het gegaan. Twee maanden ben ik te gast geweest bij Hans, Heleen, Lola, Fay en de kleine Nick, wat een overweldigende periode werd. In de zomervakantie kwamen daar nog eens de kindjes van Hans: Leon en Noelle bij, van dezelfde leeftijd als Lola en Fay en met hun verbonden door hun gezamelijke broertje Nick. Ondanks hun eigen drukke bestaan hebben ze alles gedaan om me te helpen. En nu woon ik in Exloo, op de Hondsrug, het mooiste plekje van Nederland. De sawah’s zijn verruild voor de bossen en heidevelden. Ik ga niet meer op de motorbike naar Gianyar, maar op de fiets naar Borger. Ik drink geen kokosmelk meer aan de rand van de sawah, maar pluk bramen in het bos van Exloo. Daar kom ik allemaal nog op terug.

Advertenties

Bali, Bali Uniek Reizen, tweede koninginnedag, oftewel de ‘dag van de arbeid’

Jan en Eva verbleven een nacht in het mooie Puri Saron Hotel, romantisch gelegen bezijden sawah en jungle. Het hotel ligt er wat afgelegen voor de gemiddelde toerist, maar voor bezoekers van Anak Alit is het een ideale plek, want op loopafstand van Petak.  Eva en Jan hadden het rijk en het zwembad voor zich alleen: zij waren de enige gasten.

Al vroeg werden zij opgehaald en naar Petak begeleid. Daar verzamelden zich een aantal grotere jongens en meisjes voor een wandeling door de sawah’s. Ook Komang en ik gingen mee op deze wandeltocht. We liepen een eindje langs de rand van de sawah, terwijl Komang ons wees op allerlei boomvruchten en er ons een paar van liet proeven. Voor Balinezen roepen die wilde vruchten herinneringen op aan hun kindertijd, maar voor ons, westerlingen, is het allemaal nieuw. Op een open stuk trokken we over smalle dijkjes tussen de velden door. Het was een beetje kaal, doordat er kortgeleden was geoogst. De eerste sawah die we passeerden,  behoort aan de familie van Komang en de opbrengst is voor eigen gebruik, maar ook de kinderen krijgen bijna dagelijks hun portie rijst van eigen grond. Bijna alle kinderen komen uit boerengezinnen en zijn zeer vertrouwd met de sawah’s en het werk dat er gedaan wordt. Bij tijd en wijle hebben zij allemaal hun steentje bijgedragen, al vanaf  jonge leeftijd.
In een open schuurtje, dat langs de akker ligt, zijn een ploeg, een jonge koe en een stuk of wat varkens ondergebracht. De koe was niet schuw, maar bekeek de bezoekers met grote ogen. De grote roze biggen waren minder nieuwsgierig maar meer belust op de aanvoer van vers voer. Het was de jeugd, die dat ijverig aandroeg en de varkens wierpen zich knorrend op de verse groenten. “Alles is puur natuur”, zei Komang lachend, “en alles wordt gebruikt. De koeiepoep gaat na de oogst direct op het land.”  Hoewel de varkens schoon en gezond waren, stonken ze behoorlijk. Volgens Komang is het houden van varkens lucratiever dan van koeien. Ze zijn goedkoper in de aanschaf en groeien sneller. Bovendien zijn ze minder kieskeurig wat hun eten betreft. En een vette ‘babi guling’ (big van ‘t spit) is erg populair onder de Balinezen.
Langs elke akker is een offertempeltje neergezet, waar dagelijks, wekelijks, jaarlijks wordt geofferd aan Dewi Sri, de godin van de padi. Sommige zijn stevig van steen opgetrokken en andere zijn eenvoudig, van bamboe en palmblad. We volgden de irrigatie kanalen, die bedoeld zijn om het broodnodige water onder de akkers te verdelen. We liepen langs de rijpe padi en de reeds nieuwe aanplant. We vergeleken de verschillende kwaliteiten rijst.  Een cassave knol werd opgegraven en geproefd. En we kwamen een aanplant van lange bonen tegen, in Nederland bekend als kouseband. Midden in het landschap kwamen we bij de dorpstempel, die kortgeleden is gerenoveerd. Er was een parkeerplaats voor scooters aangelegd: want ook hier gaat men met de tijd mee. Soms slapen mannen bij de tempel, bij voorbeeld als er juist een familielid is overleden. De sfeer rond de tempel was buitengewoon sereen. Na een bezoek aan de tempel gingen we echt dwars door de sawah’s over smalle dijkjes en hoogteverschillen. Tijdens het lopen was onze aandacht voor het pad noodzakelijk, dus men moest nu en dan even halt houden als men de schilderachtige omgeving wilde bekijken.  “Mooi he?!” zei Dede af en toe cynisch in goed Nederlands. Voor hem is een sawah landschap nog gewoner dan voor Hollanders een bloembollenveld. Even later ving hij met zijn hakmes een kleine lichtgroene slang, die hij stevig achter de kop vasthield. Maar de meesten vrezen de slang.

Onze tocht langs de akkers leidde naar de plaatselijke begraafplaats, waar de overleden dorpelingen in de aarde wachten tot ze aan de beurt zijn om te worden gecremeerd, opdat hun geest wordt vrijgemaakt  voor reincarnatie. Een paar jaar geleden vond er een massa-crematie plaats, waarbij 36 overledenen gecremeerd werden, maar ik zag, dat er inmiddels weer nieuwe graven waren opgericht. De kringloop van het leven is hier bij uitstek aanschouwelijk. Toen Dede aanstalten maakte om in een palmboom te klimmen, bleek de slang ineens verdwenen. Behendig en snel schoot hij de boom in en wierp verscheidene kokosnoten naar beneden. Tanjung stond al klaar met rietjes om het drinken van de kokosmelk te vergemakkelijken.
We maakten een ruime boog door de brede bermen tot we weer in de dorpsstraat stonden.

Inmiddels waren er veel kinderen naar het schoollokaaltje gekomen in afwachting van wat er komen ging. Hun aanwezigheid was kenbaar door het luide gekwetter dat zo kenmerkend is voor scholen en speelplaatsen. Er werden een paar tafels aan elkaar geschoven voor de lunch, die er weer net zo aantrekkelijk uitzag als de vorige dag. Een groepje jongens had een toneelstukje voorbereid en stond te popelen om dat op te voeren. Zoals wij vroeger stelten maakten van lege blikken en een touwtje, hadden de jongens hier iets soortgelijks gemaakt van halve kokosnoten. Omdat de gasten geen Balinees verstonden, was het een opvoering zonder woorden. Maar niet zonder geluid!! De wanden van het lokaaltje ketsten  het klakkende kabaal van de noten terug en de ruimte was met geluid gevuld. Ik hield mijn oren dicht terwijl ik genoot van het plezier dat de jongens zelf hadden tijdens de opvoering.

Toen de danslerares was gekomen, werden wij uitgenodigd om naar boven te gaan, waar de kinderen les kregen. Op een terras stonden de instrumenten voor de gamelan gereed, want ook dat is een onderdeel van de beroemde Balinese theater cultuur. Eva werd uitgenodigd om deel te nemen aan een dansles en Jan kreeg een plek aangewezen achter een gamelan instrument.

Het ziet er simpel uit, maar het valt toch niet mee om je aan het ritme te houden en de klanken bijtijds weer af te dempen.
Na enige oefening lukte het Eva redelijk goed om de sierlijke bewegingen te volgen en te combineren met mimiek, maar makkelijk: nee.

Het werd tijd om de gecostumeerde opvoering voor te bereiden, die in de vroege avond zou plaats vinden. Jan en Eva gingen voor een pauze van een paar uur naar hun hotel; de danslerares begon met de make-up en ik ging met een paar meiden naar Gianyar om de huurcostuums op te halen. Intussen zorgde Koyo, de dagelijkse coordinator, voor een auto om de barong op te halen. Toen de meisjes en ik terug kwamen, hadden er al enkele kinderen een gedaantewisseling ondergaan en zaten zij met hun opgeverfde toetjes rustig te wachten op de rest van de verkleedpartij.

Het liep tegen vijven toen de gasten weer ten tonele verschenen. Een rijtje prinsesjes zat rustig te wachten tot ze aan de beurt waren; jongens waren met de muziek installatie bezig; op het hoge terras werd een dinertafel gedekt; het kostuum van de barong werd binnengedragen en de eerste klanken van de gamelan lieten zich horen.
Jan zette zijn filmcamera in de aanslag en Komang installeerde een schijnwerper. Voor de opvoering, die weliswaar voor buitenlandse gasten was georganiseerd, ging men gezamelijk bidden in de familie tempel, want de performance is en blijft een religieuze aangelegenheid. Na het bidden verzamelde het eerste groepje danseressen zich achter het gordijn, dat diende als toneelingang.  De gamelan zette in en na een korte intro kon de voorstelling beginnen. Met vastberaden stapjes verschenen de meisjes één voor één vanachter het gordijn om de aanwezigen elegant te verwelkomen. Het dansje eindigde met sierlijk uitgestrooide bloemetjes en de meisjes verdwenen weer achter het gordijn.

De kleine kittige Iluh leek een metamorphose te hebben ondergaan toen ze in haar eentje schitterde als een professionele diva. Met haar jonge ranke lijfje maakte zij haast acrobatische bewegingen; haar expressie was wonderbaarlijk. Ze danste als in trance. En direct na haar opvoering was ze weer het kleine schoolmeisje met het hoogste woord.

Daarna demonstreerden twee prachtige  ‘vlinders’ een verleidingsdans waarbij ze met hun vleugelachtige rokken om elkaar heen wervelden.
De gamelan gaf alles een mystieke sfeer bij de inmiddels ingevallen schemering.
Dorpelingen waren op het geluid van de gamelan afgekomen en genoten mee van de opvoeringen. Het verveelt ze nooit. Zelfs de hele kleintjes volgden het gebeuren aandachtig.

Een dorpeling, verkleed als ‘Jauh’, voerde een ‘wayang topeng’ op (maskerdans)
De dans is deels improvisatie en de danser richt zich rechtstreeks tot het publiek.
Kleintjes kropen wat angstig achter de groteren, maar bleven toch geboeid gluren.  De leider van de gamelang ging een muzikaal ‘gesprek’ aan met de Jauh en volgde met muzikale klanken de bewegingen van de danser, die hem op zijn beurt op het verkeerde been probeerde te zetten.

Sluitstuk van de dansvoorstelling was de dans van de barong, een groot harig monster met klapperende tanden. De barong wordt gevormd door twee dansers, die respectievelijk de kop en de staart beheersen.  De danser in het staartgedeelte kan nauwelijks zien waar hij loopt en moet voortdurend de bewegingen van de voorste danser volgen. Ook de barong richt zich rechtstreeks tot het publiek en heeft vrijheid om te improviseren, al bevat de dans veel vaste onderdelen. Hij gaat altijd even zitten, valt ter plekke in slaap en duwt zijn harige manen in het publiek. Bij zijn nadering renden de kleintjes gillend weg om zich te verschuilen.
Toen de barong weer op de standaard werd gehangen, schuifelden de buren de poort weer uit en werden wij uitgenodigd om aan tafel plaats te nemen. Nyoman had weer een mooie maaltijd neergezet als sluitstuk van de avond. De kleineren vroegen permissie om naar huis te gaan en de groteren begonnen met opruimen.
Jan, Eva, Maurice, Komang en ik praatten tijdens het diner nog wat na en we wisselden uiteraard onze mailadressen uit, onder andere om elkaars foto’s te bekijken.
Toen Jan en Eva in de auto stapten om weer naar Ubud te worden gebracht, werden ze door het halve dorp uitgezwaaid.
Hebben ze het leuk gehad?  Zeker weten!

Bali: Gasten van Bali Uniek Reizen vieren koninginnedag met de kinderen van Petak

Al s er gasten voor Anak Alit in Petak komen, is het altijd dubbel feest.
Want de kinderen genieten en de gasten ook. Het is geen aangelegenheid waarbij de kinderen braaf hun programmaatje afdraaien en de gasten braaf in hun handen klappen. Het is iedere keer weer anders en verrassend.

Dit keer kwamen Jan en Eva uit Tholen bij de kinderen op bezoek. Was het de koninginnedag, was het voetbalbranie, was het toeval, of was het gewoon oer-hollands, dat ik zoveel oranje shirtjes zag en de oranje ballonnen voor mijn ogen dansten?  Het was in elk geval een vrolijke noot.

Voordat Jan en Eva naar Bali reisden, raadpleegden zij eerst het internet voor logies en bestemmingen. Bali is een eiland waar men zich niet zo gauw verveelt, maar tegenwoordig zoeken de mensen naar een bestemming die iets meer te bieden heeft dan een uitgestrekt strand en een gezellige bar. Iets waarin men het nuttige met het aangename verenigd ziet. Zij willen niet alleen zelf van een fijne vakantie genieten, maar zij willen ook een steentje bijdragen aan het leven van de mensen in het gastland voor wie de gespreide bedjes niet zo vanzelfsprekend zijn.
De kinderen van Anak Alit hebben door de Nederlandse  stichting Anakita kans op een goede opleiding en de daarbij behorende toekomstverwachtingen. De gasten die via Bali Uniek Reizen bij hun op bezoek komen,  sponsoren met hun bezoek de nodige extra’s, die het leven veraangenamen. 
Jan en Eva kwamen de website van Anakita tegen en voelden zich direct aangetrokken. Zij boekten gedurende hun verblijf in Ubud een tweedaags bezoek aan Petak en dat bezoek viel bij toeval juist op de Nederlandse koniginnedag. Vandaar.

Uiteraard was het een stralende dag. Rond 10 uur werden de gasten opgehaald en ruim een half uur later werden zij begroet door een groepje uitgelaten donderstenen, die allemaal persoonlijk een handje wilden geven en met hun beste Engels voor de dag kwamen. “Hello, how are you!!”  En nog voordat de wedervraag werd gesteld, riepen zij de gasten toe: “I am fine!!”
Niet alleen de gesponsorde kinderen waren van de partij, maar ook een paar ouders en een aantal broertjes en zusjes. De meisjes hadden mooie bloemenkransen gemaakt van afrikaantjes en ‘bunga jepung’ en stonden klaar om ze rond de halzen  van hun gasten te hangen.

Er was een programma gemaakt, bedoeld om de gasten kennis te laten maken met het dagelijks leven van een Balinees gezin. Een paar flinke jongens klommen behendig in de palmen om kokosnoten te verzamelen en ibu, de vrouw des huizes, demonstreerde hoe er uit het vruchtvlees van de noten santen (kokosmelk) en olie werd gewonnen op een eenvoudig vuur van droog sprokkelhout tussen een paar stenen. Een zacht briesje maakte de afzuigkap overbodig. In de Nederlandse winkels wordt het voedsel vooral aangeboden in pakjes en blikjes met in heel kleine lettertjes de vermelding van de ingredienten en de voedingswaarde. De kokosnoten in Bali hebben geen streepjescode; de voedingswaarde varieert per seizoen en alles van de grote noten is bruikbaar en ecologisch verantwoord. Het vocht van de jonge noten is heerlijk om te drinken en wordt vooral aanbevolen voor zwangere vrouwen. Uit het vruchtvlees wordt het vocht geperst, dat samen met de kokospulp veelvuldig wordt gebruikt in de Oosterse keuken. Uit dit vocht wordt bovendien olie gewonnen, die geschikt is om te bakken en voor massages. Het hele proces werd op ontspannen wijze gedemonstreerd aan de gasten, die tussen neus en lippen door les kregen in het vlechten van sierstukjes uit repen palmblad.

Ook Komang liet zien dat zij een heuse Balinese vrouw is door met behendige vingers en in rap tempo een sierlijk offertje te maken. Op een traditioneel Balinees plateautje onstond een torentje van mandjes en bloemetjes, zoals die gewoonlijk geofferd wordt in de tempel op hoogtijdagen. En zulke dagen zijn er heel veel in Bali. Het gezegde ‘leven als God in Frankrijk’ verliest zijn kracht als men ziet wat er voor de Godheid in Bali wordt bereid.

Terwijl de trouwe Nyoman bezig was met het klaarmaken van de lunch, werkte de talentvolle Adiana geconcentreerd aan een houtsnijwerkje voor de gasten. In zeer korte tijd verschenen in relief de namen van de gasten tussen sierlijke bloemenranden. De lunch bestond uit een palet van een heuveltje rijst met daaromheen een gebakken visje, stukjes gebakken kip, een geblancheerde groenten mélange en een dotje heerlijke verse sambal. Ter afsluiting werd er een schaaltje vers gesneden fruit gepresenteerd. Intussen had Adiana zijn houtsnijwerkje voor de gasten afgemaakt en beschilderd in diep-bruin en goud. Trots kwam hij het aanbieden en uiteraard ging het van hand tot hand om te worden beoordeeld en bewonderd. Later in de middag zou hij samen met Lego nog een demonstratie geven van de werkwijze waarmee een relief tot stand komt. En uiteraard mocht Jan het ook even proberen. Het was wel even wennen om –in kleermakerszit- te beitelen aan een stuk hout tussen je tenen.

Weer andere kindjes stonden te popelen om hun gasten een demonstratie Balinees dansen te geven. Toen het hun beurt was, werd de muziek installatie in orde gemaakt en op de eerste klanken van de gamelang kwam een groepje van vier  ranke kleine meisjes naar voren om een welkomsdansje op te voeren. Op het strakke ritme bewogen hun poppenkopjes aandoenlijk heen en weer en in de details zoals mimiek en handgebaren herkende men de aankomende professionaliteit  van de diva’s in de dop.  Zodra het dansje was beeindigd, werden ze ineens weer kinderen die zigzaggend en giechelend van het podium huppelden.
Een jongen, die van dansen houdt is in Bali geen mietje. Maar het dansje dat de kleine jongens na de meisjes opvoerden was wel iets stoerder.
Na het dansen waren Eva en Jan zelf aan de beurt. Zij deelden oranje ballonnen rond, en in enkele tellen stonden alle kinderen met bolle wangen te blazen om het geliefde speelgoed op scherp te stellen. Tussen de ronddansende kinderen zweefden de oranje bollen door het leslokaal en in de tuin. Regelmatig knalde er een ballon kapot en ging er een gejuich op. Niets is voor de eeuwigheid en een ballon al helemaal niet. Maar deze dag kon niet meer stuk en de herinnering is blijvend.

Bali, Ubud, Ogoh Ogoh (oudejaarsavond) en Nyepi, het Balinese Nieuwjaar, 1933

 

Ogoh Ogoh. Vrolijk, bezwerend, uitbundig en kleurrijk was gisteren het afscheid van het Balinese jaar 1932.
Mijn gasten, die woensdagavond laat uit Nederland waren aangekomen, begaven zich op de tweede dag van hun verblijf al in het feestgedruis. Nog een beetje tollend van de jetlag en nog niet gewend aan de hoge avondtemperatuur, wandelden zij met hun kraaiende peuter via het apenbos naar het centrum van Ubud, waar op het voetbalveld de monsters en demonen werden verzameld om zich in meerdere opzichten met elkaar te meten. De uitslag staat bij voorbaat vast: de goede geesten zullen overwinnen. Maar eerst worden de prachtig gemaakte ‘demonen’, waar men wekenlang aan heeft gewerkt, triomfantelijk rondgedragen en bewonderd. Er vindt een verkiezing plaats voor de mooiste. Er wordt vuurwerk afgestoken, gezongen, gedanst en geflirt. Tijdens de schemering worden de demonen van het voetbalveld weggedragen door groepen joelende rennende jongelui onder het toeziend oog van de ordedienst van de pecalang en door de politie. Er bestaat een duidelijke orde in deze chaos en hoewel het hier om een gevecht gaat, gebeuren er geen ongelukken. Toch rent in het halfduister de horde dragers af en toe regelrecht op de menigte toeschouwers af, die dan gillend uiteen wijkt. Als het te hard gaat, weerklinkt het schrille fluitje van politie en pecalan en de dragers binden in. Na het schijngevecht verdwijnen de demonen en hun dragers in oostelijke richting in het duister. De menigte toeschouwers keert massaal terug naar het voetbalveld, waar volgens oud gebruik enkele overwonnen demonen worden verbrand. Oorspronkelijk gebeurde dat met alle poppen, maar tegenwoordig steekt men zoveel energie en geld in de kunstwerken, dat men het zonde vindt om ze direct weer te verbranden. Nog lang na Nyepi treft men langs de weg en in schuren de woest kijkende poppen aan, die tijdens de laatste jaarwisseling hun symbolische taak hebben vervuld.

Om middernacht is alles stil en donker.
Dat blijft 24 uur zo. Demonen, die over Bali vliegen worden aldus misleid en denken, dat de Balinezen (en hun toeristen) zijn vertrokken. Geen lol aan. De demonen gaan een deurtje verder en het zal wel even duren voor ze in de gaten hebben, dat ze voor de gek zijn gehouden. En tegen de tijd dat Bali weer overspoeld raakt met boze geesten zijn ze weer bijna een jaar verder.

Intussen hebben wij in alle rust van Nyepi genoten. Geen boodschappen buiten de deur, geen motorlawaai, geen rumoer en geen licht. Wij genoten van het geluid van de kikkers en de krekels, van kippen en vogels, van de stromende beek en van de gezellig brabbelende peuter, die zich van geen kwaad bewust was. Want voor peuters is alles zoals het hoort en zij zien nergens van op, al was het hapje sambal kemiri dat per abuis in zijn mondje terecht kwam wel wat teveel van het goede.
In januari heeft men mij al een voorspoedig 2011 gewenst. Als die wens ook opgaat voor het Balinese jaar 1933, wordt dit een gezegend jaar. Laten we hopen dat de boze demonen dit jaar abusievelijk in zee belanden, opdat we ons in dat goede jaar kunnen verheugen.

Aandacht voor de situatie in Egypte.

De situatie in Egypte is zeer onstabiel.
Zoals altijd, is dit zeer bedreigend voor onschuldige groepen, die het onder normale omstandigheden al erg moeilijk hebben.
Sheila de Fretes vraagt daarom extra aandacht voor de kinderen, die onder deze omstandigheden te lijden hebben.
Zij stuurde mij -en vele anderen- het volgende bericht:

Lieve vrienden/relaties.

 

Ik hoef jullie niet te vertellen wat er in Egypte gebeurd.
Ik hoef jullie niet te vertellen hoe verschrikkelijk dit is.
Ik hoef jullie niet te vertellen wat een angst daar heerst,
Ik hoef jullie niet te vertellen dat er zoveel gewonden zijn,
Ik kan jullie zoveel willen vertellen,maar ik weet niet of iedereen kan en wil luisteren,
MAAR MIJN KINDJES ZIJN DAAR en zoveel andere,ik weet hoe ze zich voelen,
Ik weet wat ze denken,
Ik weet wat ze hopen,
Ik wil jullie alleen maar vragen een lichtje(een kaarsje) voor ze te branden.
Ik hoef en wil het niet uit leggen waarom,ik hoop dat jullie het zelf wel weten.

Liefs en dank je wel .
Sheila de Fretes,

www.sdffoundation.

 Misschien willen jullie dit aan anderen door sturen.

 

Bali, Ubud, hartverwarmend bezoek in Bali Batin: Sheila de Fretes

Sheila de Fretes: Oprichtster van ‘Stichting De Paradijsvogel’ en ‘Sheila de Fretes Foundation’

De wereld is groot, maar wordt in de praktijk steeds kleiner door de moderne communicatiemiddelen en het gemak waarmee men tegenwoordig van het ene einde van de wereld naar het andere reist.
Het was louter toeval, dat mijn neef Janne uit Amsterdam op een dag Sheila tegenkwam op een tentoonstelling (of een beurs), kort voordat zij naar Bali zou vertrekken. Sheila bekeek met veel aandacht een schilderij en dat trok weer de aandacht van Janne. Zij raakten met elkaar in gesprek en van het een kwam het ander. Sheila heeft ook een neef, Jack, en die woont toevallig in Bali. Janne had nog maar net genoeg tijd om Sheila wat Hollandse lekkernijen mee te geven voor zijn nicht in Bali en intussen ontving ik een dubbel mailtje van Janne en Sheila, dat de stroopwafels onderweg waren.

Sheila heeft een heel druk leven. Ze heeft een gezin bestierd, gewerkt, gereisd. Ze heeft in Egypte gewoond. Ze heeft veel van het leven gezien en van alles wat ze zag hebben de kinderen der mensen haar altijd het meest ontroerd. Kinderen zijn onschuldig en kwetsbaar en vaak overgeleverd aan de gevolgen van de problemen in de wereld der volwassenen. Maar kinderen zijn ook de volwassenen van de toekomst. De grootste wens van Sheila was om een opvangtehuis voor ondergesneeuwde kinderen op te richten en die wens heeft ze verwezenlijkt. Vooral autistische kinderen hebben haar speciale aandacht. Om sponsors en medewerkers aan te trekken heeft zij de stichting “De paradijsvogel” opgericht. Haar doelstelling wordt duidelijk naar voren gebracht in de website van de stichting: http://www.deparadijsvogel,nl .
Maar alleen een opvangtehuis in Nederland is niet genoeg. Wereldwijd hebben vele kinderen behoefte aan hulp en steun om zich in het leven staande te houden en verder te komen. Er bestaan wereldwijd al veel opvangtehuizen en andere hulpverlenende organisaties. Men zou effectiever en efficienter hulp kunnen bieden als al deze organisaties zouden samenwerken. Daar zijn velen het over eens en regelmatig zoeken medewerkers van andere organisaties hierom contact met Sheila. Dat motiveerde Sheila tot het oprichten van de “Sheila de Fretes Foundation”. Wilt u weten wat de stichting doet? WWW.SDFFOUNDATION.COM

Op sinterklaasaond heb ik stroopwafels gesnoept, samen met mijn Balinese vriend Wayan Renta. Hij vond het lekker. Het verbaasde hem zelfs, dat men in Nederland lekkere dingen kon maken. Want drop en zuurkool had hij niet als lekkernijen ervaren. Ik had ook nog gevulde speculaas. Dat wordt speciaal gegeten tijdens het sinterklaasfeest, verklaarde ik aan Wayan. Hij wilde weten wat voor feest dat was. Het is een soort legende, zoals in de verhalen van het Ramayana, maar dan Hollands, verklaarde ik. Dan moet het een strijd zijn tussen goed en kwaad, veronderstelde Wayan. Niet echt, meende ik nu. Dit is alleen goed, speciaal voor kinderen.
Sinterklaas, Sheila, de prins op het witte paard, speciaal voor kinderen, dat kan geen toeval zijn…

Indonesia, Lombok: een bezoek aan Kendi en de familie

 

Na twee weken werd het tijd om naar Warjihouse terug te keren.
Met Kendi had ik afgesproken dat ik op de terugweg bij hem langs zou gaan om hem en Intan op te zoeken en zijn huisje te bekijken.
De weg naar Tunjang leek nog niet zo eenvoudig, daarom spraken we af elkaar te ontmoeten in Ubung, een plaatsje aan de weg naar Praya, waar het nieuwe vliegveld van Lombok is aangelegd. Ik had een goede kaart bij me, waarop de wegen duidelijk waren aangegeven, dust ik kwam er wel uit. Dacht ik.
In het zuiden van de hoofdstad Mataram moest ik ergens linksaf. Maar waar? Op de verkeersborden stonden plaatsen aangegeven die op mijn kaart niet voorkwamen en vice versa. Na twee keer een verkeerde afslag te hebben genomen, kwam ik bij een bord, waarop zowel Lembar (de haven) als Praya (het vliegveld) stond aangduid. Als ik die weg volgde zou ik vanzelf in Ubung aankomen. Ik keek even op mijn telefoon om te zien hoe laat het was. We hadden om 9 uur afgesproken, maar het was al bijna 10 uur. Er was 11 keer naar mij gebeld, alle keren door Kendi. Toen ik hem terug belde, zat hij al ruim een uur op me te wachten (hij was goed op tijd) Ik haastte me dus in de goede richting. Ubung had ik niet herkend en ik was er doorheen gesjeesd. Met moeite kon Kendi, die me voorbij zag komen, me inhalen.

We konden direct linksaf slaan in de richting van Tunjang. De weg had nu alle kenmerken van een Indonesische B-weg met zijn hobbels en kuilen. De omgeving, waarvan Kendi had gezegd, dat hij niet erg bijzonder was, vond ik verrassend mooi. Hoewel iets minder spectaculair dan in Bali, wisselden jungle en sawah elkaar liefelijk af. We passeerden kleine dorpjes, waar ik nog oprecht werd nagestaard. Door schoolkinderen werd ik haastig nageroepen: “Hello mister, how are you!!” Als er 1x per jaar een toerist langskomt, is het veel volgens Kendi. Een heel smal pad leidde naar het groepje huizen waartussen ook het nieuwe huisje van Kendi was verrezen. Met ernstige, bijna geschokte gezichtjes keek een groepje kindjes mij aan. In hun midden zag ik de kleine Intan aan wier glinsterende oogjes ik kon zien dat ze mij herkende. Ze gaf me een slap handje en kroop weer snel tegen haar iets grotere vriendinnetje aan.

Toen we doorliepen hoorde ik haar stoer praten: ik was haar toerist. Ik stond juist het huisje te bewonderen, toen een oudere tante van Kendi kwam kennismaken. Ze drukte mij aan haar volle boezem en ik begreep dat zij de dame was, die zich al die tijd over Intan had ontfermd.
Toen ik het huisje binnenkwam wachtte mij een nieuwe verrassing: Een nichtje, Enny, die ik al eens in Ubud was tegengekomen, had een lunch klaargemaakt op het oliestel, dat Kendi zolang had geleend om eten te maken voor de mensen, die hem bij de bouw van zijn huis hadden geholpen. Kendi’s huis was nog ruw van binnen en van buiten. Maar er was al een vloer gestort en binnen lag een geleend matje om op te slapen.

De twee kamers hadden een min of meer afgescheiden slaapgedeelte, waar later een gordijn voor moest komen. Het matje werd naar voren getrokken en ik werd uitgenodigd om te gaan zitten. Er zaten prachtige handgemaakte deuren in de sponningen, die nog gelakt moesten worden, maar al voorzien waren van een slot. Ze kwamen uit op het halletje tussen de twee kamers, zodat ze niet te lijden zouden krijgen van de jaarlijkse regenbuien. Een plafond was er (nog) niet, zodat je tegen het asbesten dak aankeek. Stap voor stap zal het huis verder worden afgemaakt. Een terras heeft het huis niet, maar van het stuk grond voor het huisje wil Kendi een tuintje maken. Aan een kant is het al afgescheiden met een muur.
In de hoek van het andere kamertje lag een grote rijstzak, die ik ineens zag bewegen. Er zat een kip in. Kendi wilde hem slachten ter ere van mijn bezoek. Ik voelde me zeer vereerd, maar nee, toch liever niet. De volgende keer misschien. Ik wilde niet zo lang blijven. Als ik te laat bij de veerpont aan zou komen, riskeerde ik een middennachtelijke tocht naar Ubud en ik wilde graag op een Christelijke tijd thuiskomen. Enny serveerde het eten op de mat: rijst met gebakken aal en pittige sambal waarin bloed was verwerkt. Als toetje kregen we pakjes rode rijst met geraspte kokos en palmsuiker. Terwijl wij aten stonden de bewoners van de compound met hun handen rond hun ogen tegen het raam gedrukt om naar binnen te gluren. Een slanke oude dame permitteerde zch naar binnen te komen en mij een hand te geven. Ze was ongetwijfeld de oudste van de groep. Intan stond vooraan en had nu het hoogste woord. Het was al na eenen toen ik het gehucht weer verliet, nagezwaaid en nageroepen door de families.


 
Kendi begeleidde me helemaal naar Lembar en loodste me omzichtig langs de politie naar de boot. (3 jaar geleden is mijn rijbewijs gestolen en dat kost me bij elke aanhouding bijna 5 euro boete)
Ik zat al een uur op de boot, toen hij eindelijk vertrok. Voor de overtocht heb je een goed boek nodig, want het duurt minstens 4 uur naar Padangbai. Het was al donker, toen ik eindelijk weer van de boot af kon en ik wilde de kustweg nemen, omdat ik via Klunkung de weg niet goed ken. Echter de kustweg herkende ik ook niet, want die was over het gehele traject opgebroken wegens “operasi berbaik.” Het verkeer, dat voornamelijk uit vrachtwagens bestond, kwam maar langzaam vooruit. Links en rechts schoten motoren en personenwagens voorbij en het zand stoof in mijn ogen. Toen ik de afslag naar Sukawati tegenkwam, wist ik dat ik die naar Gianyar gemist had. Bij Pantai Sukawati ging ik dus direct de weg af. Van Sukawati naar Mas (een buitenwijk van Ubud) werd ik overvallen door een wolkbreuk. Doorweekt kwam ik in Warjihouse aan. Het was bijna 10 uur. Geen Christelijke tijd dus, maar dat kun je eigenlijk niet verwachten in het Hindoeistische Bali. De familie lag al te rusten.
De volgende dag vertelde Nyoman, dat het sinds mijn vertrek elke dag had geregend.
Ik zei: “Dan gaat vanaf vandaag de zon weer schijnen.Die heb ik namelijk uit Lombok meegebracht.”

 

Indonesië, Lombok: Nieuws over het huisje van Kendi en Intan.

 

Het was al laat in de middag, toen ik een sms-je kreeg van Kendi, dat hij op weg was naar Bali. Hij wilde graag direct langskomen om de foto’s van zijn huisje te laten zien. Het geld is nu even op, maar de muren staan overeind, de kozijnen zitten erin en het dak (van asbestplaat) zit erop. De deur staat klaar.

Kendi bevond zich op het moment van zijn berichtje op de ferry die van Lembar naar Padangbai heen en weer vaart. Ik besloot om die reden thuis te koken, want jonge knapen hebben altijd honger, weet ik uit ervaring.
Het was al donker en het begon juist een beetje te regenen, toen Kendi opnieuw een sms-je zond, dat hij in Ubud was aangekomen en vroeg of hij wel gelegen kwam. Hoewel ik hem verzekerd heb, dat hij altijd welkom is, blijft hij op zijn hoede. Het leven heeft hem geleerd, dat je beter geen vijanden kunt maken.
Toen hij -een beetje verregend en verlegen- het terras opkwam, zag ik aan zijn gezicht, dat alles in Lombok naar wens was verlopen. Hij wilde eerst de foto’s laten zien en dan pas eten. Ik zette meteen de computer aan om de foto’s te downloaden en ik was verrast over het bouwwerkje waarvan ik een maand geleden nog slechts de stapels zand en stenen had gezien. Het wordt een leuk huisje met twee kamertjes, waartussen een ruimte voor andere zaken. Voor het huisje is nog ruimte voor een tuintje. Ik liet hem mijn tomatenplanten zien, Dat vond hij ook wel wat. Maar oppassen voor kippen!

Ze kunnen er nog niet in slapen. Het moet nog afgewerkt worden. De muren zijn nog niet gepleisterd, de vloer is nog van zand, in de kozijnen zitten nog geen ruiten en voor de deuren heeft hij nog geen hang- en sluitwerk. Over een keuken en een badkamer hoeft hij zich niet druk te maken: baden doen ze in de rivier en koken kan op een vuurtje tussen een paar stenen. Aan meubilair denkt hij nog niet. Maar als je niks hebt, heb je ook niet veel kastruimte nodig. Een tafeltje kan hij zelf wel maken. Als hij er geld voor had, zou hij eerst een matras kopen. Intan heeft nog nooit op een matras geslapen. Hij lacht, laat zich achterover op mijn matras vallen en zegt :”Sekarang mau makan.” (nu wil ik wel eten) Hij is zichtbaar in zijn nopjes.
Ik had nog een verrassing voor hem: mensen hadden geld op mijn rekening gestort, waarschijnlijk genoeg voor ruiten, scharnieren en deurknoppen.
Als het af is, mag ‘mama’ een keertje komen kijken, dan kan Kendi ‘mama’ thuis ontvangen en een kop koffie geven. Daar moet het naar toe.

Indonesië, Bali, een scheutje verlegenheid.

 

Normen en waarden verschillen van cultuur tot cultuur. Sommige leefregels zijn in elke cultuur hetzelfde: moord en diefstal wordt overal afgekeurd, maar kleine nuanceverschillen vallen minder op.
In de westerse maatschappij wordt bij voorbeeld liegen ernstig veroordeeld, al liegt men nog zo vaak. Het komt voor in elke cultuur, maar er wordt zeer verschillend over gedacht. Ik kan me herinneren, dat mijn zoon onenigheid had met zijn Surinaamse partner. Hij verweet haar dat ze over iets had gelogen. Ze werd furieus: hoe durfde hij dat te zeggen! Ze had helemaal niet gelogen. Ze had alleen gejokt.
Overbodig te zeggen, dat liegen ook in Bali schering en inslag is. In combinatie met roddelen behoren leugens tot het gesprek van de dag.
Ik heb al veel verhalen over mezelf gehoord. Volgens de algemene opinie ben ik schatrijk en deel ik het bed met jonge knapen, die als beloning een nieuwe auto van me krijgen. En ook degenen, die wel weten, dat het niet waar is, vertellen de verhalen gretig door. Als een onzer vrouwelijke gasten een vakantievriendje in haar kamer ontvangt, kan zij rekenen op een zeer schoon terras, want niets maakt Nyoman zo ijverig als het opvangen van geluiden uit het verborgene. Even later is de hele steeg op de hoogte en als de betrokken minnaar langsloopt, wordt er gefluisterd en gegiecheld.
Andersom is het in Nederland niet opzienbarend als iemand nu en dan zijn stem verheft. In Bali mag dit absoluut niet. Dat is een afgang van de hoogste orde. Daarmee geef je te kennen, dat je jezelf, je emoties, niet in de hand hebt. Ook huilen is taboe; dat doen alleen kinderen en zwangere vrouwen.
Westerse mensen zijn niet graag verlegen. Ze geven daarmee iets van zichzelf bloot, waar ze bepaald niet willen mee pronken. Het duidt op een zwak karakter; het geeft aan dat je dingen op jezelf betrekt; je voelt je duidelijk de mindere. Iemand die al te verlegen is, volgt een assertiviteiscursus in een praatgroep. Die moet leren voor zichzelf op te komen en vecht tegen de verraderlijke blos op de wangen.
In Bali is “malu” (verlegenheid) veeleer een goede eigenschap, die duidt op bescheidenheid en het ontzien van de gesprekspartner. Men wil een ander niet lastig vallen met een egoistisch verzoek en men wil een ander niet grofweg wijzen op een fout.
Maar alle goede eigenschappen zijn aan slijtage onderhevig en verworden tot gewoonte. In Nederland beledigt men elkaar door ‘eerlijk de waarheid’ te zeggen (zelden een positieve) En in Bali is men vaak malu, als men ergens geen zin in heeft.
Dan antwoordt men brutaalweg op een pijnlijk verzoek:
“Maaf, tidak bisa, saya malu.”
(sorry, dat kan niet, ik ben verlegen)

Indonesie, Bali: ER ZIJN BALINEZEN EN ANDERE MENSEN.

 

In Bali wonen voornamelijk Balinezen, maar de laatste tijd komen er steeds meer mensen van buiten Bali op dit eiland wonen. In de eerste plaats een hoop mensen uit Java, die werk zoeken of creëren in het meer welvarende Bali. De meesten strijken neer in het westen en in steden als Denpasar en Kintamani. Dan zijn er nog een aantal gelukzoekers, die een graantje mee willen pikken van het geld dat de toeristen inbrengen. Zij bieden zich aan als gids, masseur, bewaker en zelfs als minnaar. Niet zelden zijn het jonge vrijbuiters, die de armoede en het keurslijf uit hun eigen streek ontvluchten op zoek naar snelle avontuurtjes en de jackpot. Dit, tesamen met de aangetaste reputatie die aanhangers van de Islam toch al met zich meevoeren, maakt dat deze groep door de Balinese bevolking met wantrouwen wordt bejegend. Soms terecht, maar natuurlijk niet altijd.
De Balinezen zelf staan bekend als een vriendelijk, maar trots volk. Zij tolereren veel, maar leggen kritiek naast zich neer. Op zeer overmoedige wijze zijn ze zelfbewust: er bestaan twee soorten mensen: de Balinezen en de rest van de wereld. Deze houding, deze visie, heeft consequenties voor iedereen, die in Bali woont. Zowel voor de meer welgestelde buitenlanders, die vooral om hun investeringen worden gewaardeerd, als voor de behoeftigen van buitenaf, die weing compassie hebben te verwachten.
Een voorbeeld uit die laatste groep is Kendi, een jongeman uit Lombok. De ouders van Kendi kwamen uit het arme Lombokse binnenland, die waarschijnlijk naar Bali zijn vertrokken in de hoop op betere omstandigheden. Helaas hield het huwelijk onder de druk van de armoede geen stand, wat uiteindelijk de twee kinderen hebben moeten bezuren. Kendi werd op achtjarige leeftijd met zijn broertje gedropt bij een groep Lombokkers, die al eerder in Bali was neergestreken. Zowel vader als moeder ging er vandoor met een nieuwe partner, bij wie de kinderen niet welkom waren. Door hard werken moest Kendi in eigen levensonderhoud voorzien. Geld en tijd voor school was er niet meer. En ook geen huis, geen bed. Voor Balinese kinderen wordt meestal wel gezorgd, jongens zijn erfgenamen van de familie en meisjes kunnen werken en helpen in de huishouding. Maar wie buiten de boot valt heeft eenvoudig pech gehad: een slecht karma. Niets in te brengen dan lege briefjes. Kendi heeft er mee leren leven. Hij houdt zich klein en ongevaarlijk. Hij stelt geen eisen en uit geen klachten. Hij is vriendelijk, vrolijk en op zijn hoede. Zijn houding is erop gericht te overleven in een onberekenbare wereld, waarvan hij niets heeft te verwachten.
Maar Kendi is ook gewoon een jongen, die rijpere gevoelens krijgt, zoals elke jongen van zijn leeftijd. Die leert roken en motorrijden. Die mee luistert en fluistert van sterke verhalen, branie en sex. En opgestookt door oudere jongens, doet hij ‘
het‘ op een keer met een gewillig Balinees meisje. En wat zelden de eerste keer gebeurt, overkwam hem: het was meteen raak. Meisje zwanger en in tranen, de familie boos en in alle staten en Kendi bang als voor de dood. Hij moest trouwen om de eer van het meisje te redden. Als een getrouwd stel konden ze echter niet leven, dus het meisje bleef bij haar ouders wonen, waar na 9 maanden een meisje werd geboren: Intan. Niemand was echt blij met de kleine Intan. De moeder niet, omdat ze haar leven als verpest beschouwde, de familie niet, omdat de zaak weinig eervol was en bovendien een meisje had opgeleverd. Geen erfgenaam dus en nog een bastaard ook. En uiteraard ook Kendi niet, die zich het krijgen van kinderen wel anders had voorgesteld en niet wist hoe hij voor zijn dochtertje moest zorgen. Hij kon amper voor zichzelf zorgen.
Toen Intan twee jaar oud was, ging de moeder er vandoor en liet Intan bij haar familie achter. Het meisje begon prekend op haar vader te lijken, die -hoe moeilijk de omstandigheden ook waren- veel van Intan was gaan houden. Hij heeft Intan bij de familie van de moeder weggehaald en ondergebracht bij mensen uit Lombok, opdat ze zal opgroeien en gekoesterd zal worden als een Lomboks meisje. De helft van zijn schamele inkomen besteedt hij aan haar verzorging. Hij vond onderdak en werk bij een Nederlandse emigrant, die zich zijn lot heeft aangetrokken. Kendi’s droom is: terug naar Lombok om daar een huisje te bouwen, waar hij samen met zijn dochtertje kan wonen en voor haar kan zorgen. Zijn weldoener heeft hem op weg geholpen door een stukje grond voor hem te kopen. Stukje bij beetje spaart hij een deel van zijn loon op om bouwmaterialen te kopen. Maar het gaat erg langzaam. Voor Nederlandse begrippen kost de bouw van een huisje in Lombok een schijntje: ongeveer anderhalf duizend euro. Ik ben zelf momenteel niet in de omstandigheden dat ik een modaal salaris verdien, maar ik heb 500 euro gedoneerd voor dit kleine project. Wie zich geroepen voelt om iets aan de omstandigheden van Kendi en Intan te helpen verbeteren, nodig ik uit om iets te doneren; ook een klein bedrag heeft hier al grote impact.
Doneren kan op mijn ABN-AMRO rekening nr. 40 50 22 158 t.n.v. C.E. Van Gemert o.v.v. Kendi & Intan. Kendi neemt foto’s van de vorderingen die hij met de bouw van zijn huisje maakt en ik houd iedereen daarvan op de hoogte. Bij voorbaat hartelijk dank.


Tunjang, het geboorte-dorpje van Kendi, ligt ten noorden van de nieuwe internationale luchthaven.

« Older entries