Vorstendommen in Indonesia

cropped-silatnas-raja-sultan-7-agust-2009-istana-merdeka-jkt31

Paul Kijlstra, die momenteel in oost-Java woont en dat deel van Java interessant kan belichten, is een nieuwe blog gestart. Hij kwam er achter, dat de belangstelling voor deze vorstendommen groeiende is, zowel in geschiedkundig opzicht, als met betrekking tot het cultureel erfgoed van Indonesia en voormalig Nederlands Indie.
Zijn informatie en verhandelingen hierover zijn te vinden via de volgende URL: http://sultansinindonesieblog.wordpress.com/

Advertenties

Adriaan van Dis in Bali

Van enkele kennissen kreeg ik een telefoontje met de tip om zondag 15 april naar het programma over Adriaan van Dis in Indonesië te gaan zien. Het ging deze keer over Bali, het eiland waar ik -met tussenpozen- zo’n 10 jaar heb doorgebracht.
Uiteraard was ik al op de hoogte. Ik volg deze fantastische serie al vanaf de eerste dag. Alles is goed aan deze reportage. Het is smaakvol en onderhoudend; betrokken en interessant; kritisch en realistisch.
Ik nestelde me ‘s-avonds dus genoeglijk op mijn divan voor de tv om het deel over ‘mijn eigen eiland’ te gaan zien. Ik genoot bij het zien van de straattaferelen met de bijbehorende  geluiden, het gekrioel, de gezichten. Het zien ervan maakte een emotie in mij los, waarbij ik zelfs de geuren meende te ruiken. De camera bracht mij in Ubud; boekhandel Ganesha; Jalang Monkey Forest, de straat, waar ik vele slippers heb versleten. Zo vaak nog, loop ik daar in mijn dromen.

Adriaan van Dis blijft nooit oppervlakkig, dus ook deze keer niet. Onder begeleiding van psychiater Suriani brengt hij ons op plaatsen waar toeristen gewoonlijk niet komen. Waar ze zelfs geen weet van hebben. Want wij krijgen mensen te zien, die voor toeristen worden weggehouden. Toeristen worden enkel geconfronteerd met kleurrijke ceremonies, bevallige dames, schattige kindertjes, hulpvaardige taxi-chauffeurs, kortom: de paradijselijke kant van Bali. Diep in hun hart weten de mensen wel, dat er ook veel arme mensen in Bali zijn. Dat niet iedereen zo gelukkig is als hij of zij eruit ziet. En veel mensen nemen de gelegenheid te baat om ook een steentje bij te dragen aan de ontwikkeling van de welvaart in Bali. Zij steunen een weeshuis of helpen een tiener door diens opleiding te betalen. Bovendien zijn er een aantal prima stichtingen, die zorgen voor weeskinderen, gehandicapten of zieken. Deze mensen en stichtingen weten u wel te vinden.
Toch zijn er nog steeds mensen, die niet in staat zijn om voor zichzelf op te komen. Omdat verwanten zich zich vaak voor deze mensen schamen, worden ze weggehouden uit de openbaarheid. Zij zijn de schrijnende gevallen, waar de toerist niet mee wordt geconfronteerd.
Van Dis heeft er een paar gevonden. Een schizofrene jongen, die vanwege zijn onmogelijke gedrag naakt aan een ketting was vastgelegd. Leuk was het niet, maar men leek te handelen naar beste vermogen. De knaap was geneigd tot pyromanie. Dat was nog tot daar toe, maar stel je voor dat hij een tempel in brand stak. Dan zou toch de hel losbreken.
De volgende patient, die Van Dis met Siriani bezocht, was een vrouw, die 12 jaar geleden van haar man was gescheiden, maar na haar scheiding niet meer werd opgenomen in het huis van haar familie. De reden was voornamelijk, dat zij als een soort spijtoptant op hangende pootjes terugkeerde. Zij was namelijk gehuwd beneden haar stand en eenmaal verlaagd tot een dubbeltje, word je in Bali nooit meer een kwartje.
De radeloze vrouw werd uiteindelijk opgenomen in het huis van een welgestelde nicht, die haar verzorgde. Wat Van Dis te zien kreeg, bracht hem in shock.
De vrouw lag naakt in een betonnen hok tussen haar eigen uitwerpselen. Zij begroette haar gasten met: ‘Ga maar weg, ik ben al dood’. De vrouw was vel over been en stellig de dood dicht genaderd. De laatste keer, dat ik zo’n beeld gezien had, was een opname uit 1945 van een barak in Bergen Belsen, zojuist ontzet door Amerikaanse soldaten. Bekomen van de ontreddering van de eerste confrontatie, werd Van Dis heel boos en hij riep de nicht ter verantwoording. Die probeerde zich er met de meest merkwaardige smoesjes vanaf te maken.
Van Dis regelde een ambulance en de patient werd naar een ziekenhuis gebracht om verzorgd te worden en aan te sterken. De volgende dag was de kwestie voorpagina-nieuws in de media.

Ik wist wel, dat het zonnige Bali ook nog een minder zonnige kant had. Die minder zonnige kant krijgt de gewone bezoeker vrijwel nooit te zien. Die komen niet op buitenlanders af om te klagen of te bedelen. Die zijn weggestopt of weggekropen.
Maar wat mij nog het meest shokeerde, was de onbewogen reactie van psychiater Suriani, die waarschijnlijk wel van de situatie heeft geweten en het zelfbeklag van de nicht die onder haar verantwoordelijkheid uit probeerde te komen.
Men vindt zoiets weliswaar genant, maar ook gewoon.
Tegelijkertijd prijs ik mezelf, dat ik Nederlander ben. Niet vanwege mijn materiële welstand (die trouwens maar matig is) maar omdat ik dit niet gewoon vind en dat ik ben opgegroeid in een omgeving, waar niemand zoiets gewoon vindt. Toch…?

Bali, Bali Uniek Reizen, tweede koninginnedag, oftewel de ‘dag van de arbeid’

Jan en Eva verbleven een nacht in het mooie Puri Saron Hotel, romantisch gelegen bezijden sawah en jungle. Het hotel ligt er wat afgelegen voor de gemiddelde toerist, maar voor bezoekers van Anak Alit is het een ideale plek, want op loopafstand van Petak.  Eva en Jan hadden het rijk en het zwembad voor zich alleen: zij waren de enige gasten.

Al vroeg werden zij opgehaald en naar Petak begeleid. Daar verzamelden zich een aantal grotere jongens en meisjes voor een wandeling door de sawah’s. Ook Komang en ik gingen mee op deze wandeltocht. We liepen een eindje langs de rand van de sawah, terwijl Komang ons wees op allerlei boomvruchten en er ons een paar van liet proeven. Voor Balinezen roepen die wilde vruchten herinneringen op aan hun kindertijd, maar voor ons, westerlingen, is het allemaal nieuw. Op een open stuk trokken we over smalle dijkjes tussen de velden door. Het was een beetje kaal, doordat er kortgeleden was geoogst. De eerste sawah die we passeerden,  behoort aan de familie van Komang en de opbrengst is voor eigen gebruik, maar ook de kinderen krijgen bijna dagelijks hun portie rijst van eigen grond. Bijna alle kinderen komen uit boerengezinnen en zijn zeer vertrouwd met de sawah’s en het werk dat er gedaan wordt. Bij tijd en wijle hebben zij allemaal hun steentje bijgedragen, al vanaf  jonge leeftijd.
In een open schuurtje, dat langs de akker ligt, zijn een ploeg, een jonge koe en een stuk of wat varkens ondergebracht. De koe was niet schuw, maar bekeek de bezoekers met grote ogen. De grote roze biggen waren minder nieuwsgierig maar meer belust op de aanvoer van vers voer. Het was de jeugd, die dat ijverig aandroeg en de varkens wierpen zich knorrend op de verse groenten. “Alles is puur natuur”, zei Komang lachend, “en alles wordt gebruikt. De koeiepoep gaat na de oogst direct op het land.”  Hoewel de varkens schoon en gezond waren, stonken ze behoorlijk. Volgens Komang is het houden van varkens lucratiever dan van koeien. Ze zijn goedkoper in de aanschaf en groeien sneller. Bovendien zijn ze minder kieskeurig wat hun eten betreft. En een vette ‘babi guling’ (big van ‘t spit) is erg populair onder de Balinezen.
Langs elke akker is een offertempeltje neergezet, waar dagelijks, wekelijks, jaarlijks wordt geofferd aan Dewi Sri, de godin van de padi. Sommige zijn stevig van steen opgetrokken en andere zijn eenvoudig, van bamboe en palmblad. We volgden de irrigatie kanalen, die bedoeld zijn om het broodnodige water onder de akkers te verdelen. We liepen langs de rijpe padi en de reeds nieuwe aanplant. We vergeleken de verschillende kwaliteiten rijst.  Een cassave knol werd opgegraven en geproefd. En we kwamen een aanplant van lange bonen tegen, in Nederland bekend als kouseband. Midden in het landschap kwamen we bij de dorpstempel, die kortgeleden is gerenoveerd. Er was een parkeerplaats voor scooters aangelegd: want ook hier gaat men met de tijd mee. Soms slapen mannen bij de tempel, bij voorbeeld als er juist een familielid is overleden. De sfeer rond de tempel was buitengewoon sereen. Na een bezoek aan de tempel gingen we echt dwars door de sawah’s over smalle dijkjes en hoogteverschillen. Tijdens het lopen was onze aandacht voor het pad noodzakelijk, dus men moest nu en dan even halt houden als men de schilderachtige omgeving wilde bekijken.  “Mooi he?!” zei Dede af en toe cynisch in goed Nederlands. Voor hem is een sawah landschap nog gewoner dan voor Hollanders een bloembollenveld. Even later ving hij met zijn hakmes een kleine lichtgroene slang, die hij stevig achter de kop vasthield. Maar de meesten vrezen de slang.

Onze tocht langs de akkers leidde naar de plaatselijke begraafplaats, waar de overleden dorpelingen in de aarde wachten tot ze aan de beurt zijn om te worden gecremeerd, opdat hun geest wordt vrijgemaakt  voor reincarnatie. Een paar jaar geleden vond er een massa-crematie plaats, waarbij 36 overledenen gecremeerd werden, maar ik zag, dat er inmiddels weer nieuwe graven waren opgericht. De kringloop van het leven is hier bij uitstek aanschouwelijk. Toen Dede aanstalten maakte om in een palmboom te klimmen, bleek de slang ineens verdwenen. Behendig en snel schoot hij de boom in en wierp verscheidene kokosnoten naar beneden. Tanjung stond al klaar met rietjes om het drinken van de kokosmelk te vergemakkelijken.
We maakten een ruime boog door de brede bermen tot we weer in de dorpsstraat stonden.

Inmiddels waren er veel kinderen naar het schoollokaaltje gekomen in afwachting van wat er komen ging. Hun aanwezigheid was kenbaar door het luide gekwetter dat zo kenmerkend is voor scholen en speelplaatsen. Er werden een paar tafels aan elkaar geschoven voor de lunch, die er weer net zo aantrekkelijk uitzag als de vorige dag. Een groepje jongens had een toneelstukje voorbereid en stond te popelen om dat op te voeren. Zoals wij vroeger stelten maakten van lege blikken en een touwtje, hadden de jongens hier iets soortgelijks gemaakt van halve kokosnoten. Omdat de gasten geen Balinees verstonden, was het een opvoering zonder woorden. Maar niet zonder geluid!! De wanden van het lokaaltje ketsten  het klakkende kabaal van de noten terug en de ruimte was met geluid gevuld. Ik hield mijn oren dicht terwijl ik genoot van het plezier dat de jongens zelf hadden tijdens de opvoering.

Toen de danslerares was gekomen, werden wij uitgenodigd om naar boven te gaan, waar de kinderen les kregen. Op een terras stonden de instrumenten voor de gamelan gereed, want ook dat is een onderdeel van de beroemde Balinese theater cultuur. Eva werd uitgenodigd om deel te nemen aan een dansles en Jan kreeg een plek aangewezen achter een gamelan instrument.

Het ziet er simpel uit, maar het valt toch niet mee om je aan het ritme te houden en de klanken bijtijds weer af te dempen.
Na enige oefening lukte het Eva redelijk goed om de sierlijke bewegingen te volgen en te combineren met mimiek, maar makkelijk: nee.

Het werd tijd om de gecostumeerde opvoering voor te bereiden, die in de vroege avond zou plaats vinden. Jan en Eva gingen voor een pauze van een paar uur naar hun hotel; de danslerares begon met de make-up en ik ging met een paar meiden naar Gianyar om de huurcostuums op te halen. Intussen zorgde Koyo, de dagelijkse coordinator, voor een auto om de barong op te halen. Toen de meisjes en ik terug kwamen, hadden er al enkele kinderen een gedaantewisseling ondergaan en zaten zij met hun opgeverfde toetjes rustig te wachten op de rest van de verkleedpartij.

Het liep tegen vijven toen de gasten weer ten tonele verschenen. Een rijtje prinsesjes zat rustig te wachten tot ze aan de beurt waren; jongens waren met de muziek installatie bezig; op het hoge terras werd een dinertafel gedekt; het kostuum van de barong werd binnengedragen en de eerste klanken van de gamelan lieten zich horen.
Jan zette zijn filmcamera in de aanslag en Komang installeerde een schijnwerper. Voor de opvoering, die weliswaar voor buitenlandse gasten was georganiseerd, ging men gezamelijk bidden in de familie tempel, want de performance is en blijft een religieuze aangelegenheid. Na het bidden verzamelde het eerste groepje danseressen zich achter het gordijn, dat diende als toneelingang.  De gamelan zette in en na een korte intro kon de voorstelling beginnen. Met vastberaden stapjes verschenen de meisjes één voor één vanachter het gordijn om de aanwezigen elegant te verwelkomen. Het dansje eindigde met sierlijk uitgestrooide bloemetjes en de meisjes verdwenen weer achter het gordijn.

De kleine kittige Iluh leek een metamorphose te hebben ondergaan toen ze in haar eentje schitterde als een professionele diva. Met haar jonge ranke lijfje maakte zij haast acrobatische bewegingen; haar expressie was wonderbaarlijk. Ze danste als in trance. En direct na haar opvoering was ze weer het kleine schoolmeisje met het hoogste woord.

Daarna demonstreerden twee prachtige  ‘vlinders’ een verleidingsdans waarbij ze met hun vleugelachtige rokken om elkaar heen wervelden.
De gamelan gaf alles een mystieke sfeer bij de inmiddels ingevallen schemering.
Dorpelingen waren op het geluid van de gamelan afgekomen en genoten mee van de opvoeringen. Het verveelt ze nooit. Zelfs de hele kleintjes volgden het gebeuren aandachtig.

Een dorpeling, verkleed als ‘Jauh’, voerde een ‘wayang topeng’ op (maskerdans)
De dans is deels improvisatie en de danser richt zich rechtstreeks tot het publiek.
Kleintjes kropen wat angstig achter de groteren, maar bleven toch geboeid gluren.  De leider van de gamelang ging een muzikaal ‘gesprek’ aan met de Jauh en volgde met muzikale klanken de bewegingen van de danser, die hem op zijn beurt op het verkeerde been probeerde te zetten.

Sluitstuk van de dansvoorstelling was de dans van de barong, een groot harig monster met klapperende tanden. De barong wordt gevormd door twee dansers, die respectievelijk de kop en de staart beheersen.  De danser in het staartgedeelte kan nauwelijks zien waar hij loopt en moet voortdurend de bewegingen van de voorste danser volgen. Ook de barong richt zich rechtstreeks tot het publiek en heeft vrijheid om te improviseren, al bevat de dans veel vaste onderdelen. Hij gaat altijd even zitten, valt ter plekke in slaap en duwt zijn harige manen in het publiek. Bij zijn nadering renden de kleintjes gillend weg om zich te verschuilen.
Toen de barong weer op de standaard werd gehangen, schuifelden de buren de poort weer uit en werden wij uitgenodigd om aan tafel plaats te nemen. Nyoman had weer een mooie maaltijd neergezet als sluitstuk van de avond. De kleineren vroegen permissie om naar huis te gaan en de groteren begonnen met opruimen.
Jan, Eva, Maurice, Komang en ik praatten tijdens het diner nog wat na en we wisselden uiteraard onze mailadressen uit, onder andere om elkaars foto’s te bekijken.
Toen Jan en Eva in de auto stapten om weer naar Ubud te worden gebracht, werden ze door het halve dorp uitgezwaaid.
Hebben ze het leuk gehad?  Zeker weten!

Bali: Gasten van Bali Uniek Reizen vieren koninginnedag met de kinderen van Petak

Al s er gasten voor Anak Alit in Petak komen, is het altijd dubbel feest.
Want de kinderen genieten en de gasten ook. Het is geen aangelegenheid waarbij de kinderen braaf hun programmaatje afdraaien en de gasten braaf in hun handen klappen. Het is iedere keer weer anders en verrassend.

Dit keer kwamen Jan en Eva uit Tholen bij de kinderen op bezoek. Was het de koninginnedag, was het voetbalbranie, was het toeval, of was het gewoon oer-hollands, dat ik zoveel oranje shirtjes zag en de oranje ballonnen voor mijn ogen dansten?  Het was in elk geval een vrolijke noot.

Voordat Jan en Eva naar Bali reisden, raadpleegden zij eerst het internet voor logies en bestemmingen. Bali is een eiland waar men zich niet zo gauw verveelt, maar tegenwoordig zoeken de mensen naar een bestemming die iets meer te bieden heeft dan een uitgestrekt strand en een gezellige bar. Iets waarin men het nuttige met het aangename verenigd ziet. Zij willen niet alleen zelf van een fijne vakantie genieten, maar zij willen ook een steentje bijdragen aan het leven van de mensen in het gastland voor wie de gespreide bedjes niet zo vanzelfsprekend zijn.
De kinderen van Anak Alit hebben door de Nederlandse  stichting Anakita kans op een goede opleiding en de daarbij behorende toekomstverwachtingen. De gasten die via Bali Uniek Reizen bij hun op bezoek komen,  sponsoren met hun bezoek de nodige extra’s, die het leven veraangenamen. 
Jan en Eva kwamen de website van Anakita tegen en voelden zich direct aangetrokken. Zij boekten gedurende hun verblijf in Ubud een tweedaags bezoek aan Petak en dat bezoek viel bij toeval juist op de Nederlandse koniginnedag. Vandaar.

Uiteraard was het een stralende dag. Rond 10 uur werden de gasten opgehaald en ruim een half uur later werden zij begroet door een groepje uitgelaten donderstenen, die allemaal persoonlijk een handje wilden geven en met hun beste Engels voor de dag kwamen. “Hello, how are you!!”  En nog voordat de wedervraag werd gesteld, riepen zij de gasten toe: “I am fine!!”
Niet alleen de gesponsorde kinderen waren van de partij, maar ook een paar ouders en een aantal broertjes en zusjes. De meisjes hadden mooie bloemenkransen gemaakt van afrikaantjes en ‘bunga jepung’ en stonden klaar om ze rond de halzen  van hun gasten te hangen.

Er was een programma gemaakt, bedoeld om de gasten kennis te laten maken met het dagelijks leven van een Balinees gezin. Een paar flinke jongens klommen behendig in de palmen om kokosnoten te verzamelen en ibu, de vrouw des huizes, demonstreerde hoe er uit het vruchtvlees van de noten santen (kokosmelk) en olie werd gewonnen op een eenvoudig vuur van droog sprokkelhout tussen een paar stenen. Een zacht briesje maakte de afzuigkap overbodig. In de Nederlandse winkels wordt het voedsel vooral aangeboden in pakjes en blikjes met in heel kleine lettertjes de vermelding van de ingredienten en de voedingswaarde. De kokosnoten in Bali hebben geen streepjescode; de voedingswaarde varieert per seizoen en alles van de grote noten is bruikbaar en ecologisch verantwoord. Het vocht van de jonge noten is heerlijk om te drinken en wordt vooral aanbevolen voor zwangere vrouwen. Uit het vruchtvlees wordt het vocht geperst, dat samen met de kokospulp veelvuldig wordt gebruikt in de Oosterse keuken. Uit dit vocht wordt bovendien olie gewonnen, die geschikt is om te bakken en voor massages. Het hele proces werd op ontspannen wijze gedemonstreerd aan de gasten, die tussen neus en lippen door les kregen in het vlechten van sierstukjes uit repen palmblad.

Ook Komang liet zien dat zij een heuse Balinese vrouw is door met behendige vingers en in rap tempo een sierlijk offertje te maken. Op een traditioneel Balinees plateautje onstond een torentje van mandjes en bloemetjes, zoals die gewoonlijk geofferd wordt in de tempel op hoogtijdagen. En zulke dagen zijn er heel veel in Bali. Het gezegde ‘leven als God in Frankrijk’ verliest zijn kracht als men ziet wat er voor de Godheid in Bali wordt bereid.

Terwijl de trouwe Nyoman bezig was met het klaarmaken van de lunch, werkte de talentvolle Adiana geconcentreerd aan een houtsnijwerkje voor de gasten. In zeer korte tijd verschenen in relief de namen van de gasten tussen sierlijke bloemenranden. De lunch bestond uit een palet van een heuveltje rijst met daaromheen een gebakken visje, stukjes gebakken kip, een geblancheerde groenten mélange en een dotje heerlijke verse sambal. Ter afsluiting werd er een schaaltje vers gesneden fruit gepresenteerd. Intussen had Adiana zijn houtsnijwerkje voor de gasten afgemaakt en beschilderd in diep-bruin en goud. Trots kwam hij het aanbieden en uiteraard ging het van hand tot hand om te worden beoordeeld en bewonderd. Later in de middag zou hij samen met Lego nog een demonstratie geven van de werkwijze waarmee een relief tot stand komt. En uiteraard mocht Jan het ook even proberen. Het was wel even wennen om –in kleermakerszit- te beitelen aan een stuk hout tussen je tenen.

Weer andere kindjes stonden te popelen om hun gasten een demonstratie Balinees dansen te geven. Toen het hun beurt was, werd de muziek installatie in orde gemaakt en op de eerste klanken van de gamelang kwam een groepje van vier  ranke kleine meisjes naar voren om een welkomsdansje op te voeren. Op het strakke ritme bewogen hun poppenkopjes aandoenlijk heen en weer en in de details zoals mimiek en handgebaren herkende men de aankomende professionaliteit  van de diva’s in de dop.  Zodra het dansje was beeindigd, werden ze ineens weer kinderen die zigzaggend en giechelend van het podium huppelden.
Een jongen, die van dansen houdt is in Bali geen mietje. Maar het dansje dat de kleine jongens na de meisjes opvoerden was wel iets stoerder.
Na het dansen waren Eva en Jan zelf aan de beurt. Zij deelden oranje ballonnen rond, en in enkele tellen stonden alle kinderen met bolle wangen te blazen om het geliefde speelgoed op scherp te stellen. Tussen de ronddansende kinderen zweefden de oranje bollen door het leslokaal en in de tuin. Regelmatig knalde er een ballon kapot en ging er een gejuich op. Niets is voor de eeuwigheid en een ballon al helemaal niet. Maar deze dag kon niet meer stuk en de herinnering is blijvend.

Bali, Ubud: een wandeltocht met Wayan Darta

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Voor Wayan Darta is het belangrijk, dat zijn gasten het naar hun zin hebben. En hij weet hoe dat moet.
Hij houdt immers zelf ook van het goede leven.
 

Wayan Darta is als oudste zoon van een bescheiden Balinees gezin min of meer hoofd van de familie.
Als kleine jongen van zeer arme ouders nam hij zich voor het leven tot een succes te maken en dat is hem gelukt.
Weliswaar niet helemaal zoals hij had gehoopt, maar hij verstaat de kunst te roeien met de riemen die hij heeft.
Wie bij Wayan Darta en zijn familie op bezoek komt, treft een stralend gastvrij gezin aan, bestaande uit grootvader, grootmoeder, Wayan en zijn vrouw Wayan en dochter Putu met haar olijke broertje Kadek.

Wayan Darta is in de eerste plaats taxi chauffeur, maar op verzoek organiseert hij alternatieve tripjes.
Om zijn gasten een plezier te doen vermijdt hij de grotere verkeersroutes en zoekt hij meer kleurrijke weggetjes door de rijstvelden en langs dorpjes. Zijn echtgenote Wayan is geboren in zo’n klein dorpje, dat is gelegen aan het einde van een doodlopende weg. Uiteraard brengen zij regelmatig een bezoek aan de familie die daar in een prachtige traditionele compound woont. De kleine Putu is dol op haar grootouders en gaat graag mee op stap.

 

Wayan nodigt nu en dan zijn gasten uit om een wandeling in deze prachtige omgeving te maken en na afloop even een kopje thee of koffie te drinken bij de familie van zijn vrouw. Aan het einde van de enige straat die het dorp rijk is, wandelt men rechtstreeks de jungle in. Er is ongerepte natuur; er zijn tuinen; er zijn sawah’s. Er zijn paddestoelen en er groeit gember en de kleuren zijn er zo uitgesproken, dat het af en toe is alsof je een schilderij binnenwandelt. Wayan kan zich nog goed herinneren, dat het bijna overal nog zo was. En gelukkig is het nog niet helemaal verdwenen, want hij heeft ondanks alles goede herinneringen aan die tijd.

Door de rivieren die hun baan in het grillige gebergte hebben uitgeslepen, zijn er veel hoogteverschillen in het landschap, wat de grond op veel plaatsen ongeschikt maakt voor de landbouw. Maar op elk stukje grond, dat kon worden vlak gemaakt, ligt een stukje sawah, als een groen tapijt op een groot terras in de jungle. Palmen staan als hoge parasols tussen de sawah’s en op verzoek wil iemand er wel in klimmen om een mooie rijpe noot naar beneden te halen. In de tuinen herkent men behalve bananen, bonen, sereh en mais ook locale specerijen en geurige wortels als jahe, galanga, kencur en laos.
Na een wandeling door dit prachtige gebied is het heerlijk om in het huis van de familie even uit te rusten bij een kop verse thee of een kop thuisgebrande koffie. Bijna ongemerkt was het hier en daar een klimmen en dalen en balanceren over de sawah-dijkjes.
Bij de familie gaat het er heerlijk huiselijk aan toe. Een jonge neef is bezig met het polijsten van een stapel spiegellijsten. Een tante vlecht mandjes. Oma maakt thee en koffie klaar en een heel oude grootmoeder, die nog fris uit haar ogen kijkt, komt ons nieuwsgierig opnemen. Oom maakt een praatje met Wayan en vraagt en passant waar de gasten vandaan komen. Een paar tiener-nichtjes vuren giechelig een paar Engelse zinnetjes op ons af. Hoewel een beetje anders, is de sfeer geruststellend vertrouwd, een beetje Ot en Sien, en een beetje modern met mobieltjes en playstasiun.

Ik vond de wandeling en mijn bezoek aan het serene dorpje een topper. Ik kan iedereen aanbevelen om een keer op stap te gaan met Wayan Darta.
Zie ook zijn website: http://www.bali4fun.wordpress.com

Indonesia, Lombok: een bezoek aan Kendi en de familie

 

Na twee weken werd het tijd om naar Warjihouse terug te keren.
Met Kendi had ik afgesproken dat ik op de terugweg bij hem langs zou gaan om hem en Intan op te zoeken en zijn huisje te bekijken.
De weg naar Tunjang leek nog niet zo eenvoudig, daarom spraken we af elkaar te ontmoeten in Ubung, een plaatsje aan de weg naar Praya, waar het nieuwe vliegveld van Lombok is aangelegd. Ik had een goede kaart bij me, waarop de wegen duidelijk waren aangegeven, dust ik kwam er wel uit. Dacht ik.
In het zuiden van de hoofdstad Mataram moest ik ergens linksaf. Maar waar? Op de verkeersborden stonden plaatsen aangegeven die op mijn kaart niet voorkwamen en vice versa. Na twee keer een verkeerde afslag te hebben genomen, kwam ik bij een bord, waarop zowel Lembar (de haven) als Praya (het vliegveld) stond aangduid. Als ik die weg volgde zou ik vanzelf in Ubung aankomen. Ik keek even op mijn telefoon om te zien hoe laat het was. We hadden om 9 uur afgesproken, maar het was al bijna 10 uur. Er was 11 keer naar mij gebeld, alle keren door Kendi. Toen ik hem terug belde, zat hij al ruim een uur op me te wachten (hij was goed op tijd) Ik haastte me dus in de goede richting. Ubung had ik niet herkend en ik was er doorheen gesjeesd. Met moeite kon Kendi, die me voorbij zag komen, me inhalen.

We konden direct linksaf slaan in de richting van Tunjang. De weg had nu alle kenmerken van een Indonesische B-weg met zijn hobbels en kuilen. De omgeving, waarvan Kendi had gezegd, dat hij niet erg bijzonder was, vond ik verrassend mooi. Hoewel iets minder spectaculair dan in Bali, wisselden jungle en sawah elkaar liefelijk af. We passeerden kleine dorpjes, waar ik nog oprecht werd nagestaard. Door schoolkinderen werd ik haastig nageroepen: “Hello mister, how are you!!” Als er 1x per jaar een toerist langskomt, is het veel volgens Kendi. Een heel smal pad leidde naar het groepje huizen waartussen ook het nieuwe huisje van Kendi was verrezen. Met ernstige, bijna geschokte gezichtjes keek een groepje kindjes mij aan. In hun midden zag ik de kleine Intan aan wier glinsterende oogjes ik kon zien dat ze mij herkende. Ze gaf me een slap handje en kroop weer snel tegen haar iets grotere vriendinnetje aan.

Toen we doorliepen hoorde ik haar stoer praten: ik was haar toerist. Ik stond juist het huisje te bewonderen, toen een oudere tante van Kendi kwam kennismaken. Ze drukte mij aan haar volle boezem en ik begreep dat zij de dame was, die zich al die tijd over Intan had ontfermd.
Toen ik het huisje binnenkwam wachtte mij een nieuwe verrassing: Een nichtje, Enny, die ik al eens in Ubud was tegengekomen, had een lunch klaargemaakt op het oliestel, dat Kendi zolang had geleend om eten te maken voor de mensen, die hem bij de bouw van zijn huis hadden geholpen. Kendi’s huis was nog ruw van binnen en van buiten. Maar er was al een vloer gestort en binnen lag een geleend matje om op te slapen.

De twee kamers hadden een min of meer afgescheiden slaapgedeelte, waar later een gordijn voor moest komen. Het matje werd naar voren getrokken en ik werd uitgenodigd om te gaan zitten. Er zaten prachtige handgemaakte deuren in de sponningen, die nog gelakt moesten worden, maar al voorzien waren van een slot. Ze kwamen uit op het halletje tussen de twee kamers, zodat ze niet te lijden zouden krijgen van de jaarlijkse regenbuien. Een plafond was er (nog) niet, zodat je tegen het asbesten dak aankeek. Stap voor stap zal het huis verder worden afgemaakt. Een terras heeft het huis niet, maar van het stuk grond voor het huisje wil Kendi een tuintje maken. Aan een kant is het al afgescheiden met een muur.
In de hoek van het andere kamertje lag een grote rijstzak, die ik ineens zag bewegen. Er zat een kip in. Kendi wilde hem slachten ter ere van mijn bezoek. Ik voelde me zeer vereerd, maar nee, toch liever niet. De volgende keer misschien. Ik wilde niet zo lang blijven. Als ik te laat bij de veerpont aan zou komen, riskeerde ik een middennachtelijke tocht naar Ubud en ik wilde graag op een Christelijke tijd thuiskomen. Enny serveerde het eten op de mat: rijst met gebakken aal en pittige sambal waarin bloed was verwerkt. Als toetje kregen we pakjes rode rijst met geraspte kokos en palmsuiker. Terwijl wij aten stonden de bewoners van de compound met hun handen rond hun ogen tegen het raam gedrukt om naar binnen te gluren. Een slanke oude dame permitteerde zch naar binnen te komen en mij een hand te geven. Ze was ongetwijfeld de oudste van de groep. Intan stond vooraan en had nu het hoogste woord. Het was al na eenen toen ik het gehucht weer verliet, nagezwaaid en nageroepen door de families.


 
Kendi begeleidde me helemaal naar Lembar en loodste me omzichtig langs de politie naar de boot. (3 jaar geleden is mijn rijbewijs gestolen en dat kost me bij elke aanhouding bijna 5 euro boete)
Ik zat al een uur op de boot, toen hij eindelijk vertrok. Voor de overtocht heb je een goed boek nodig, want het duurt minstens 4 uur naar Padangbai. Het was al donker, toen ik eindelijk weer van de boot af kon en ik wilde de kustweg nemen, omdat ik via Klunkung de weg niet goed ken. Echter de kustweg herkende ik ook niet, want die was over het gehele traject opgebroken wegens “operasi berbaik.” Het verkeer, dat voornamelijk uit vrachtwagens bestond, kwam maar langzaam vooruit. Links en rechts schoten motoren en personenwagens voorbij en het zand stoof in mijn ogen. Toen ik de afslag naar Sukawati tegenkwam, wist ik dat ik die naar Gianyar gemist had. Bij Pantai Sukawati ging ik dus direct de weg af. Van Sukawati naar Mas (een buitenwijk van Ubud) werd ik overvallen door een wolkbreuk. Doorweekt kwam ik in Warjihouse aan. Het was bijna 10 uur. Geen Christelijke tijd dus, maar dat kun je eigenlijk niet verwachten in het Hindoeistische Bali. De familie lag al te rusten.
De volgende dag vertelde Nyoman, dat het sinds mijn vertrek elke dag had geregend.
Ik zei: “Dan gaat vanaf vandaag de zon weer schijnen.Die heb ik namelijk uit Lombok meegebracht.”

 

Indonesië, Lombok: Nieuws over het huisje van Kendi en Intan.

 

Het was al laat in de middag, toen ik een sms-je kreeg van Kendi, dat hij op weg was naar Bali. Hij wilde graag direct langskomen om de foto’s van zijn huisje te laten zien. Het geld is nu even op, maar de muren staan overeind, de kozijnen zitten erin en het dak (van asbestplaat) zit erop. De deur staat klaar.

Kendi bevond zich op het moment van zijn berichtje op de ferry die van Lembar naar Padangbai heen en weer vaart. Ik besloot om die reden thuis te koken, want jonge knapen hebben altijd honger, weet ik uit ervaring.
Het was al donker en het begon juist een beetje te regenen, toen Kendi opnieuw een sms-je zond, dat hij in Ubud was aangekomen en vroeg of hij wel gelegen kwam. Hoewel ik hem verzekerd heb, dat hij altijd welkom is, blijft hij op zijn hoede. Het leven heeft hem geleerd, dat je beter geen vijanden kunt maken.
Toen hij -een beetje verregend en verlegen- het terras opkwam, zag ik aan zijn gezicht, dat alles in Lombok naar wens was verlopen. Hij wilde eerst de foto’s laten zien en dan pas eten. Ik zette meteen de computer aan om de foto’s te downloaden en ik was verrast over het bouwwerkje waarvan ik een maand geleden nog slechts de stapels zand en stenen had gezien. Het wordt een leuk huisje met twee kamertjes, waartussen een ruimte voor andere zaken. Voor het huisje is nog ruimte voor een tuintje. Ik liet hem mijn tomatenplanten zien, Dat vond hij ook wel wat. Maar oppassen voor kippen!

Ze kunnen er nog niet in slapen. Het moet nog afgewerkt worden. De muren zijn nog niet gepleisterd, de vloer is nog van zand, in de kozijnen zitten nog geen ruiten en voor de deuren heeft hij nog geen hang- en sluitwerk. Over een keuken en een badkamer hoeft hij zich niet druk te maken: baden doen ze in de rivier en koken kan op een vuurtje tussen een paar stenen. Aan meubilair denkt hij nog niet. Maar als je niks hebt, heb je ook niet veel kastruimte nodig. Een tafeltje kan hij zelf wel maken. Als hij er geld voor had, zou hij eerst een matras kopen. Intan heeft nog nooit op een matras geslapen. Hij lacht, laat zich achterover op mijn matras vallen en zegt :”Sekarang mau makan.” (nu wil ik wel eten) Hij is zichtbaar in zijn nopjes.
Ik had nog een verrassing voor hem: mensen hadden geld op mijn rekening gestort, waarschijnlijk genoeg voor ruiten, scharnieren en deurknoppen.
Als het af is, mag ‘mama’ een keertje komen kijken, dan kan Kendi ‘mama’ thuis ontvangen en een kop koffie geven. Daar moet het naar toe.

Indonesie, Bali: ER ZIJN BALINEZEN EN ANDERE MENSEN.

 

In Bali wonen voornamelijk Balinezen, maar de laatste tijd komen er steeds meer mensen van buiten Bali op dit eiland wonen. In de eerste plaats een hoop mensen uit Java, die werk zoeken of creëren in het meer welvarende Bali. De meesten strijken neer in het westen en in steden als Denpasar en Kintamani. Dan zijn er nog een aantal gelukzoekers, die een graantje mee willen pikken van het geld dat de toeristen inbrengen. Zij bieden zich aan als gids, masseur, bewaker en zelfs als minnaar. Niet zelden zijn het jonge vrijbuiters, die de armoede en het keurslijf uit hun eigen streek ontvluchten op zoek naar snelle avontuurtjes en de jackpot. Dit, tesamen met de aangetaste reputatie die aanhangers van de Islam toch al met zich meevoeren, maakt dat deze groep door de Balinese bevolking met wantrouwen wordt bejegend. Soms terecht, maar natuurlijk niet altijd.
De Balinezen zelf staan bekend als een vriendelijk, maar trots volk. Zij tolereren veel, maar leggen kritiek naast zich neer. Op zeer overmoedige wijze zijn ze zelfbewust: er bestaan twee soorten mensen: de Balinezen en de rest van de wereld. Deze houding, deze visie, heeft consequenties voor iedereen, die in Bali woont. Zowel voor de meer welgestelde buitenlanders, die vooral om hun investeringen worden gewaardeerd, als voor de behoeftigen van buitenaf, die weing compassie hebben te verwachten.
Een voorbeeld uit die laatste groep is Kendi, een jongeman uit Lombok. De ouders van Kendi kwamen uit het arme Lombokse binnenland, die waarschijnlijk naar Bali zijn vertrokken in de hoop op betere omstandigheden. Helaas hield het huwelijk onder de druk van de armoede geen stand, wat uiteindelijk de twee kinderen hebben moeten bezuren. Kendi werd op achtjarige leeftijd met zijn broertje gedropt bij een groep Lombokkers, die al eerder in Bali was neergestreken. Zowel vader als moeder ging er vandoor met een nieuwe partner, bij wie de kinderen niet welkom waren. Door hard werken moest Kendi in eigen levensonderhoud voorzien. Geld en tijd voor school was er niet meer. En ook geen huis, geen bed. Voor Balinese kinderen wordt meestal wel gezorgd, jongens zijn erfgenamen van de familie en meisjes kunnen werken en helpen in de huishouding. Maar wie buiten de boot valt heeft eenvoudig pech gehad: een slecht karma. Niets in te brengen dan lege briefjes. Kendi heeft er mee leren leven. Hij houdt zich klein en ongevaarlijk. Hij stelt geen eisen en uit geen klachten. Hij is vriendelijk, vrolijk en op zijn hoede. Zijn houding is erop gericht te overleven in een onberekenbare wereld, waarvan hij niets heeft te verwachten.
Maar Kendi is ook gewoon een jongen, die rijpere gevoelens krijgt, zoals elke jongen van zijn leeftijd. Die leert roken en motorrijden. Die mee luistert en fluistert van sterke verhalen, branie en sex. En opgestookt door oudere jongens, doet hij ‘
het‘ op een keer met een gewillig Balinees meisje. En wat zelden de eerste keer gebeurt, overkwam hem: het was meteen raak. Meisje zwanger en in tranen, de familie boos en in alle staten en Kendi bang als voor de dood. Hij moest trouwen om de eer van het meisje te redden. Als een getrouwd stel konden ze echter niet leven, dus het meisje bleef bij haar ouders wonen, waar na 9 maanden een meisje werd geboren: Intan. Niemand was echt blij met de kleine Intan. De moeder niet, omdat ze haar leven als verpest beschouwde, de familie niet, omdat de zaak weinig eervol was en bovendien een meisje had opgeleverd. Geen erfgenaam dus en nog een bastaard ook. En uiteraard ook Kendi niet, die zich het krijgen van kinderen wel anders had voorgesteld en niet wist hoe hij voor zijn dochtertje moest zorgen. Hij kon amper voor zichzelf zorgen.
Toen Intan twee jaar oud was, ging de moeder er vandoor en liet Intan bij haar familie achter. Het meisje begon prekend op haar vader te lijken, die -hoe moeilijk de omstandigheden ook waren- veel van Intan was gaan houden. Hij heeft Intan bij de familie van de moeder weggehaald en ondergebracht bij mensen uit Lombok, opdat ze zal opgroeien en gekoesterd zal worden als een Lomboks meisje. De helft van zijn schamele inkomen besteedt hij aan haar verzorging. Hij vond onderdak en werk bij een Nederlandse emigrant, die zich zijn lot heeft aangetrokken. Kendi’s droom is: terug naar Lombok om daar een huisje te bouwen, waar hij samen met zijn dochtertje kan wonen en voor haar kan zorgen. Zijn weldoener heeft hem op weg geholpen door een stukje grond voor hem te kopen. Stukje bij beetje spaart hij een deel van zijn loon op om bouwmaterialen te kopen. Maar het gaat erg langzaam. Voor Nederlandse begrippen kost de bouw van een huisje in Lombok een schijntje: ongeveer anderhalf duizend euro. Ik ben zelf momenteel niet in de omstandigheden dat ik een modaal salaris verdien, maar ik heb 500 euro gedoneerd voor dit kleine project. Wie zich geroepen voelt om iets aan de omstandigheden van Kendi en Intan te helpen verbeteren, nodig ik uit om iets te doneren; ook een klein bedrag heeft hier al grote impact.
Doneren kan op mijn ABN-AMRO rekening nr. 40 50 22 158 t.n.v. C.E. Van Gemert o.v.v. Kendi & Intan. Kendi neemt foto’s van de vorderingen die hij met de bouw van zijn huisje maakt en ik houd iedereen daarvan op de hoogte. Bij voorbaat hartelijk dank.


Tunjang, het geboorte-dorpje van Kendi, ligt ten noorden van de nieuwe internationale luchthaven.

Indonesia, Lombok, de vissersgemeenschap van de noordkust.


Hoewel februari onverwacht een drukke maand is gebleken, werd het in de laatste week rustig genoeg om er even tussenuit te gaan. Waarschijnlijk de laatste mogelijkheid voor het hoogseizoen, want er gaan in het jaar 2010 weer heel veel mensen met vakantie en ze zijn zich al druk aan het orienteren voor wat betreft hun vakantiebestemming. Mede dankzij de shootings voor de verfilming van de bestseller “Eat, pray, love.” door Elizabeth Gilbert trok Ubud de vorige zomer veel publiek. Vooral vrouwen, die herkenning vonden in de verhalen van Gilbert wilden Ubud bezoeken om nog meer verbondenheid te ervaren met het boek dat hun zo inspireerde. En zo blijft Ubud groeien als het van oudsher Balinese middelpunt van kunst en cultuur. Ik verwacht niet dat de belangstelling voor Ubud zal teruglopen dit jaar, dus ik heb een paar dagen vakantie genomen, nu het nog kon.
Een goede vriend van me die een ruim huis heeft gebouwd aan de rustige noordkant van Lombok, had mij uitgenodigd om hem daar te bezoeken. Net als vorig jaar toen ik een uitstapje maakte naar Gili Meno, koos ik ook nu voor de eenvoudige ferry om van Padangbai naar Lembar over te steken. Van de shuttlebus heb echter ik geen gebruik gemaakt. In plaats daarvan heb ik me laten brengen en halen door een “ojek”, vervoer op de motorbike. Dat is na de shuttlebus de goedkoopste oplossing en het gaat een stuk sneller. Eenmaal in Lombok ging de reis via Mataram naar Bangsal, dat vlak voor de haven naar de Gili’s ligt. Van Bangsal leidde een kustweg naar het gehucht Krakas, dat bekend is om zijn zoetwater bronnen in zee, vlak voor de kust. Het was daar ongeveer, dat ik gedurende twee dagen over de rustig kabbelende watervlakte uit keek, onophoudelijk gestreeld door een zoele, vriendelijke wind.


Vanaf de kustweg leidt een lang breed pad dwars door de kampong naar het grijze strand, waar de vissers hun smalle bootjes aan wal trekken. Door een opening in de koraalrand, die enkele tientallen meters als een borstwering voor de kust is opgebouwd, varen de bootjes dagelijks de zee op om hun dagelijks voedsel uit het water te vissen en misschien iets extra om in geld om te zetten.

De eenvoud en de rust, die op de kleine Gili-eilandjes inmiddels volkomen door commerciele uitbaters zijn uitgehold, zijn aan de noordkust van Lombok nog authentiek. De kindertjes, die in de namiddag over het strand huppelen vragen niet om rupia’s, maar om een lege fles waar ze mee kunnen voetballen. En vissers die niet over een boot beschikken, staan tot hun borst in het zeewater om met een lange lijn vis uit het water te hengelen. Honden trekken in kleine roedels langs het strand op zoek naar voedsel. En ik, zoals veel westerlingen, jut op mooie schelpen. Maar er was meer langs de kust, dat mijn aandacht trok. Ook daar, in een nagenoeg onbedorven gebied, worden bungalows, restaurantjes en hotelletjes gebouwd. Want toeristen, die het geciviliseerde Bali voor gezien houden, trekken verder naar Lombok om de grote vulkaan Rinjani te beklimmen en om te genieten van Lomboks prachtige natuur en zijn vele watervallen. Die avonturiers willen eten en slapen, vervoer en een gids. Een dame uit Sumbawa en haar Belgische echtgenoot speelden daar diplomatiek op in door een restaurant en een bungalow parkje aan te leggen met uitzicht op zee. “Pondok Pantai”, noemden ze hun onderneming, wat letterlijk ‘strandhut’ betekent. Ze hadden originele paalhutjes uit Sumbawa over laten komen en die omgebouwd tot ydillische bungalowtjes. Het restaurant was ingericht boven de receptie en gaf een prachtig wijds uitzicht over zee. Het werd zelfs genoemd in de Lonely Planet Guide. En omdat het de enige gelegenheid in de omgeving was, werd het relatief druk bezocht. Helaas kreeg het ondernemende stel te maken met tegenslag. Eerst verminderde de toeristenstroom door de bomaanslagen in Bali en daarna sloeg de zee toe. Inmiddels is het toerisme weer op gang gekomen, maar de zee blijft land eten. Van alles hebben ze geprobeerd om de zee te bedwingen. Ze hebben muren geplaatst en grote tonnen vol beton gestort, maar niets kon de uitvallen van de zee weerstaan. De leuke Sumbawase hutjes verdwenen in zee en van het huis, de receptie en het restaurant bleef niet veel meer over dan een paar ruines.

Pondok Pantai is nu gesloten en het terrein maakt een troosteloze indruk.
De oorzaak van deze narigheid ligt -naar het schijnt- bij het gedrag van de vissers. Zij brengen met hun vissersgereedschap ernstige schade toe aan de koraalrand, die voorheen functioneerde als een natuurlijke zeewering. Door de beschadigingen is de functionaliteit als golfbreker sterk verminderd, waardoor de zee zich verder landinwaards werpt.

En de vissers? Die moeten ook ergens van leven en zijn zich amper bewust van wat ze aanrichten.
Een verder noordelijk gelegen resort kampt met dezelfde dreiging en men heeft uit voorzorg zandzakken rond de tuin opgetast. Voor de zee zal het echter een koud kunstje zijn om zie barriere af te breken. Voorlopig is er nog geen oplossing voor dit probleem. En ook mijn vriend, die nu nog vredig vanaf zijn ruime veranda over het voortdurend deinende water uitkijkt, vreest dat hij over geruime tijd nog maar de helft van de grond zal bezitten, die hij aanvankelijk kocht. Op een dag zal de zo kalm ogende waterplas zich een weg banen onder de palen van zijn mooie veranda. Want bij zijn oude buurman, die ietsje lager woont, stroomt bij hoog tij het water af en toe al onder het huis door, alles met zich mee sleurend, dat niet hoog was opgeborgen.
De kampongbewoners lijken over het probleem niet na te denken. Dagelijks roosteren de vrouwen de vers binnengebrachte vis, die met kangkung en witte rijst gegeten wordt. Tussentijds vegen ze het strand aan, verzorgen ze de babies en doen ze de was. Tot de volgende vis wordt aangeleverd.
Natuurlijk is dit een momentopname. Ik kan niet voorspellen of de huidige landeigenaren tot overeenstemming zullen komen met de overheid, danwel met de vissers of via andere weg een oplossing zullen vinden voor deze voortschrijdende vorm van erosie. Ik heb alleen even een paar dagen vakantie gehad, zonder internet, zonder agenda, zonder gasten.

Ik ben achterop een brommertje landinwaards gegaan om de mooie watervallen (air terjun Gangga) te zien en het groene sawah-landschap tussen de beboste bergen. Ik ben op bezoek geweest bij een oude veehouder, die dagelijks met zijn vijf koeien over het strand naar een verderop gelegen weitje wandelt. Ik werd verwend met lokale lekkernijen, want de Sasaks vierden juist het Islamitische Nieuwjaar. De oude man was een beetje ziek, “panas dalam”, zei hij. (heet van binnen) Daarom at hij weinig, maar hij liet zich zijn genotmiddelen, bestaande uit sirihblad, betelnoten, kalk en tabak goed smaken.

Heel goed voor de tanden, verklaarde hij, terwijl met een propje van zijn drugs demonstratief over het restant van zijn gebit wreef. Toen de stiltes, die ontstonden tussen de weinige woorden die onze gemeenschappelijke vocabulaire rijk was, langer werden, bedankte ik voor zijn gastvrijheid en trok ik me weer terug via het erf van de buren naar de hooggelegen veranda van mijn gastheer.
Na twee dagen serene rust vertrok ik weer richting Bali. Samen met mijn gastheer bracht ik nog even een bezoekje aan restaurant “Arnel” in Bangsal, dat wordt gerund door de Nederlandse George Smit en diens vriendelijke Sumatraanse vrouw Nelly. Hun restaurant ligt op het strategisch kruispunt tussen de routes naar de berg Rinjani en de weg naar de oversteek voor de Gili eilanden.

In de keuken zwaait Nelly de scepter. Zij is opgegroeid met de rijke, Padangse keuken, maar weet ook goed raad met de westerse smaken. Voor mensen, die de boot hebben gemist naar Gili Trawangan, hebben George en Nelly een paar leuke bungalowtjes ter beschikking, waar men voor een redelijke prijs in een schoon bed kan slapen. Ook is het een geschikte pleisterplaats voor de mensen, die verder willen reizen naar het noord-oosten en Pondok Pantai gesloten vinden. Het scheelt maar tien minuutjes op de brommer.
En als u daar dan toch bent: doe George en Nelly de hartelijke groeten van Ineke uit Ubud!

Bali: de droom van velen: wonen tussen de sawah’s

De sawah’s rond Ubud.


Wayan en zijn ouders hebben gedurende vijf en twintig jaar hun eigen rijst verbouwd op een stuk grond in het noorden van Ubud. Het is niet hun eigen grond. De eigenaar van de grond heeft een deal met de boer gesloten. In ruil voor het gebruik van de grond moet de boer de helft van de opbrengst in rijst afstaan aan de eigenaar. De andere helft is genoeg voor Wayan en zijn familie om van te eten en ze houden ook nog wat over voor de verkoop. Het stuk land wordt aan twee kanten geflankeerd door hoge palmbomen. De kokosnoten mogen ze houden. Een deel van de kokosnoten wordt verkocht aan toeristen als versnapering tijdens een wandeling door de sawah’s. Een ander deel van de kokosnoten wordt gebruikt om olie uit te winnen. De houtige bast wordt gebruikt om houtskool van te maken, waar sateh boven wordt geroosterd. Van de afgevallen palmbladeren worden matten gevlochten, waarop ze kunnen uitrusten van het werk of als bescherming tegen de hete zon.

De nerven van de palmbladeren worden in bosjes bijeen gebonden en als bezem op het erf gebruikt. Wat er verder aan droog afval overblijft is goed genoeg om water op te koken voor een kop koffie. Vijf en twintig jaar lang ging het zo. Wat er ook gebeurde, er was altijd te eten. Het was de basis van hun bestaan. Natuurlijk was het karig. Het was niet genoeg om kleding van te kopen en schoolgeld te betalen. Ze konden er geen doktersrekening mee betalen. Ze konden er al helemaal geen motor van kopen, of een mobieltje. Het bood een eenvoudig, schraal bestaan. Wayan was nog geen tien jaar, toen hij werd ingezet om in de sawah te helpen. En inmiddels zijn zijn ouders zo oud, dat het werk in de sawah voor het grootste deel van hem afhangt. Zijn moeder en zijn tante verdienen nu en dan wat bij door stenen of zand te sjouwen. Dat is vrouwenwerk. Soms helpen ze een andere boer bij de oogst. Dan krijgen ze een deel rijst erbij. Zo hopen ze een spaarpotje op te bouwen, want Wayan’s grootmoeder is al erg oud en zal binnen tien jaar wel overlijden. Dan is er geld nodig voor de crematie. Zijn jongere broer heeft van begin af aan bedankt voor het werk in de sawah. Die trok Ubud in om op wat voor manier dan ook aan toeristen te verdienen. Als ventje bood hij kokosnoten aan en houtsnijwerkjes. Tot hij een brommer kon lenen om ritjes aan te bieden. Van gespaard geld kocht hij een tweedehands brommer, enzovoort. Nu heeft hij een auto waarmee hij alle extra’s binnen brengt waar zijn familie behoefte aan heeft. Wayan zelf had altijd goede resultaten op school. Hij had best verder willen leren. Maar de sawah kon hem niet missen. Dus hij kwam niet veel verder dan mijmeren. Via een familielid hoorde Wayan, dat de eigenaar van het land problemen had. Hij had schulden die hij binnen afzienbare tijd moest terug betalen. De eigenaar kwam een toerist tegen, die Bali zo mooi vond, dat hij daar de rest van zijn leven wilde slijten. Het liefst in een ruim huis tussen de prachtige groene sawah’s. Waar het water van de irrigatiestromen zo lustig kabbelt. Waar het eenvoudige boerenleven nog een onbedorven sfeer uitstraalt. Een stukje paradijs, ver van de stress in zijn eigen land. De toerist sloot een deal met de eigenaar van het land en kocht zijn stukje paradijs. Wayan en zijn ouders kunnen nog één maal een oogst binnenhalen. Daarvan kunnen ze nog een half jaar eten. Wayan heeft niet verder geleerd. Want hij kon niet gemist worden in de sawah. En de toerist, die straks van zijn welverdiende pensioen geniet, heeft geen schuld. Hij heeft de eigenaar goed betaald. En de eigenaar stond in zijn recht. Hij mag zijn land verkopen, als hij geld nodig heeft. Niemand heeft schuld. De eigenaar heeft zijn problemen opgelost. De toerist heeft zijn pensioen geinvesteerd. En Wayan en zijn familie zitten met de gebakken peren. Such is life.

NB. zie ook de fotopresentatie door de link onder SAWAH aan te klikken links in de blogroll.

« Older entries