Vorstendommen in Indonesia

cropped-silatnas-raja-sultan-7-agust-2009-istana-merdeka-jkt31

Paul Kijlstra, die momenteel in oost-Java woont en dat deel van Java interessant kan belichten, is een nieuwe blog gestart. Hij kwam er achter, dat de belangstelling voor deze vorstendommen groeiende is, zowel in geschiedkundig opzicht, als met betrekking tot het cultureel erfgoed van Indonesia en voormalig Nederlands Indie.
Zijn informatie en verhandelingen hierover zijn te vinden via de volgende URL: http://sultansinindonesieblog.wordpress.com/

Advertenties

Adriaan van Dis in Bali

Van enkele kennissen kreeg ik een telefoontje met de tip om zondag 15 april naar het programma over Adriaan van Dis in Indonesië te gaan zien. Het ging deze keer over Bali, het eiland waar ik -met tussenpozen- zo’n 10 jaar heb doorgebracht.
Uiteraard was ik al op de hoogte. Ik volg deze fantastische serie al vanaf de eerste dag. Alles is goed aan deze reportage. Het is smaakvol en onderhoudend; betrokken en interessant; kritisch en realistisch.
Ik nestelde me ‘s-avonds dus genoeglijk op mijn divan voor de tv om het deel over ‘mijn eigen eiland’ te gaan zien. Ik genoot bij het zien van de straattaferelen met de bijbehorende  geluiden, het gekrioel, de gezichten. Het zien ervan maakte een emotie in mij los, waarbij ik zelfs de geuren meende te ruiken. De camera bracht mij in Ubud; boekhandel Ganesha; Jalang Monkey Forest, de straat, waar ik vele slippers heb versleten. Zo vaak nog, loop ik daar in mijn dromen.

Adriaan van Dis blijft nooit oppervlakkig, dus ook deze keer niet. Onder begeleiding van psychiater Suriani brengt hij ons op plaatsen waar toeristen gewoonlijk niet komen. Waar ze zelfs geen weet van hebben. Want wij krijgen mensen te zien, die voor toeristen worden weggehouden. Toeristen worden enkel geconfronteerd met kleurrijke ceremonies, bevallige dames, schattige kindertjes, hulpvaardige taxi-chauffeurs, kortom: de paradijselijke kant van Bali. Diep in hun hart weten de mensen wel, dat er ook veel arme mensen in Bali zijn. Dat niet iedereen zo gelukkig is als hij of zij eruit ziet. En veel mensen nemen de gelegenheid te baat om ook een steentje bij te dragen aan de ontwikkeling van de welvaart in Bali. Zij steunen een weeshuis of helpen een tiener door diens opleiding te betalen. Bovendien zijn er een aantal prima stichtingen, die zorgen voor weeskinderen, gehandicapten of zieken. Deze mensen en stichtingen weten u wel te vinden.
Toch zijn er nog steeds mensen, die niet in staat zijn om voor zichzelf op te komen. Omdat verwanten zich zich vaak voor deze mensen schamen, worden ze weggehouden uit de openbaarheid. Zij zijn de schrijnende gevallen, waar de toerist niet mee wordt geconfronteerd.
Van Dis heeft er een paar gevonden. Een schizofrene jongen, die vanwege zijn onmogelijke gedrag naakt aan een ketting was vastgelegd. Leuk was het niet, maar men leek te handelen naar beste vermogen. De knaap was geneigd tot pyromanie. Dat was nog tot daar toe, maar stel je voor dat hij een tempel in brand stak. Dan zou toch de hel losbreken.
De volgende patient, die Van Dis met Siriani bezocht, was een vrouw, die 12 jaar geleden van haar man was gescheiden, maar na haar scheiding niet meer werd opgenomen in het huis van haar familie. De reden was voornamelijk, dat zij als een soort spijtoptant op hangende pootjes terugkeerde. Zij was namelijk gehuwd beneden haar stand en eenmaal verlaagd tot een dubbeltje, word je in Bali nooit meer een kwartje.
De radeloze vrouw werd uiteindelijk opgenomen in het huis van een welgestelde nicht, die haar verzorgde. Wat Van Dis te zien kreeg, bracht hem in shock.
De vrouw lag naakt in een betonnen hok tussen haar eigen uitwerpselen. Zij begroette haar gasten met: ‘Ga maar weg, ik ben al dood’. De vrouw was vel over been en stellig de dood dicht genaderd. De laatste keer, dat ik zo’n beeld gezien had, was een opname uit 1945 van een barak in Bergen Belsen, zojuist ontzet door Amerikaanse soldaten. Bekomen van de ontreddering van de eerste confrontatie, werd Van Dis heel boos en hij riep de nicht ter verantwoording. Die probeerde zich er met de meest merkwaardige smoesjes vanaf te maken.
Van Dis regelde een ambulance en de patient werd naar een ziekenhuis gebracht om verzorgd te worden en aan te sterken. De volgende dag was de kwestie voorpagina-nieuws in de media.

Ik wist wel, dat het zonnige Bali ook nog een minder zonnige kant had. Die minder zonnige kant krijgt de gewone bezoeker vrijwel nooit te zien. Die komen niet op buitenlanders af om te klagen of te bedelen. Die zijn weggestopt of weggekropen.
Maar wat mij nog het meest shokeerde, was de onbewogen reactie van psychiater Suriani, die waarschijnlijk wel van de situatie heeft geweten en het zelfbeklag van de nicht die onder haar verantwoordelijkheid uit probeerde te komen.
Men vindt zoiets weliswaar genant, maar ook gewoon.
Tegelijkertijd prijs ik mezelf, dat ik Nederlander ben. Niet vanwege mijn materiële welstand (die trouwens maar matig is) maar omdat ik dit niet gewoon vind en dat ik ben opgegroeid in een omgeving, waar niemand zoiets gewoon vindt. Toch…?

DE OMMEZWAAI: VAN RIJSTTERRASSEN NAAR HEIDEVELDEN

Velen wisten het al, maar een aantal mensen zullen zich hebben afgevraagd waarom er al lange tijd geen nieuw verhaal op mijn blog is verschenen. Het hoogseizoen was al begonnen, dus er gebeurde genoeg, zou je denken. En dat was ook zo. Echter: van het een gebeurde te veel en van het ander te weinig. Ik had weinig tijd en geld om mijn plotseling veranderde situatie het hoofd te bieden en beide heb je nodig als je een gastenverblijf wilt opzetten. In mijn meer fortuinlijke periode heb ik alles ingezet om van mijn nieuwe project een succes te maken, maar het ontbrak me aan tijd om het te laten groeien en aan geld om dat te overbruggen. Het is -zogezegd- in de kinderschoenen blijven steken. In het leven moet je keuzes maken en dat heb ik gedaan. Aan mijn keuze om met het huis in Nyuh Kuning van start te gaan, heb ik vanaf het begin mijn twijfels gehad. Toen het huis nog maar pas was gebouwd, zo’n 4 jaar geleden, was ik er meteen verliefd op. Op dat moment was ik niet in de gelegenheid om het te huren. Toen het mij later werd aangeboden als oplossing voor mijn problemen, was ik meteen enthousiast. Maar ik kreeg ook meteen twijfels. Niet over het huis, dat was nog steeds hetzelfde. Maar de omgeving was veranderd. Drie jaar daarvoor had het huis alleen gestaan, met uitzicht over de vredige sawah’s. Nu stonden er vier nieuwe huizen omheen en dankzij mij kon men starten met de bouw van een vijfde huis, pal naast het mijne. Dat was een tegenvaller. Een andere tegenvaller was de explosief toegenomen verkeersdrukte op de verbindingsweg tussen Pengosekan en Batubulan. De nu en dan gierende motoren raasden langs tot een uur of twaalf in de nacht en in de vroege ochtend, rond vier uur, begon het verkeerslawaai al weer. Als je langer op zo’n plek woont, raak je aan die geluiden gewend en valt het niet meer zo op, maar gasten worden verondersteld enkele dagen tot enkele weken te blijven en dan wordt het als zeer storend ervaren. Een ander nadeel van mijn nieuwe locatie was de langere afsand naar het centrum van Ubud. Het was een wandeling van ruim 15 minuten naar het centrum, te ver om ‘even’ een boodschapje te doen, of ‘even’ te gaan lunchen. En niet iedereen durft in Bali op een motorbike te rijden. Daar komt bij, dat er in Ubud een grote keuze is aan homestays en hotelletjes, waarvan er vele meer voordelen hadden dan het mijne. Ook had ik nog geen reputatie opgebouwd en dat kan ook niet in een half jaar. Het was gedoemd om te mislukken en dat is wat er gebeurde. Ik had geen zin om daarop te wachten. Het verlengen van mijn verblijfsvergunning stond voor de deur en daarna het verlengen van mijn huurcontract voor nog een jaar. Mijn budget was tot een minimum gedaald en er kwamen bijna geen boekingen binnen, dus de vooruitzichten waren zeer ongunstig. In zo’n geval besluiten mensen vaak om over te gaan tot het lenen van geld. In de eerste plaats houd ik daar niet van, want de aflossing doet altijd pijn. In de tweede plaats had ik geen garantie voor succes, integendeel. Mijn besluit was dus snel genomen. Denk niet, dat dit een hard gelag was voor mij. Het nemen van het besluit om ermee te stoppen betekende ook -en vooral- dat ik was ontslagen van de taak om er, tegen beter weten in, het beste van te maken. Het leven werd weer een onbeschreven blad en ik kon nieuwe plannen maken, zij het met een zekere beperking.

Ik heb familie over mijn besluit ingelicht en kreeg meteen van mijn dochter te horen, dat ik welkom was bij haar en haar gezin tot ik mijn zaken geregeld zou hebben. En zo is het gegaan. Twee maanden ben ik te gast geweest bij Hans, Heleen, Lola, Fay en de kleine Nick, wat een overweldigende periode werd. In de zomervakantie kwamen daar nog eens de kindjes van Hans: Leon en Noelle bij, van dezelfde leeftijd als Lola en Fay en met hun verbonden door hun gezamelijke broertje Nick. Ondanks hun eigen drukke bestaan hebben ze alles gedaan om me te helpen. En nu woon ik in Exloo, op de Hondsrug, het mooiste plekje van Nederland. De sawah’s zijn verruild voor de bossen en heidevelden. Ik ga niet meer op de motorbike naar Gianyar, maar op de fiets naar Borger. Ik drink geen kokosmelk meer aan de rand van de sawah, maar pluk bramen in het bos van Exloo. Daar kom ik allemaal nog op terug.

Indonesie, Bali, Ubud, gevarieerd Indonesisch eten.

 

Sinds lang is de Indonesische keuken erg geliefd in Nederland.
Althans, wat daarvoor doorgaat. Want de Indonesische keuken is zeer gevarieerd en evenzo zijn de aanpassingen aan de westerse varianten op de Indonesische keuken. Echte kenners betitelen de welbekende ‘rijsttafel’ als een Nederlandse dis en aan de andere kant is de dagelijkse maaltijd van de doorsnee Indonesier niet altijd even smakelijk voor westerlingen. Voor veel mensen geldt, dat onbekend onbemind maakt en dat is bij uitstek van toepassing op eetgewoontes. Mijn schoonvader, die een huis in Frankrijk had, kwam altijd met een achterbak vol eigenheimers uit Nederland aanzetten, plus een paar flessen jenever. En ook op de tafeltjes in de homestay zag ik regelmatig pakjes thee van Douwe Egberts en zakjes Venco drop.

Toch zijn uitheemse producten al eeuwen lang ingeburgerd in de westerse keuken. Handelsmissies vanuit Europa waren vooral gericht op het aanvoeren van Aziatische specerijen zoals peper, kruidnagelen en nootmuskaat. Daarna ontdekte men tabak en opium; aanvankelijk als medicijn aangewend. En in de twintigste eeuw, toen het vervoer niet meer zo’n hachelijke onderneming was en sneller kon plaatsvinden, werd het westerse menu aangevuld met tropische vruchten als bananen en mango’s.
In relatief korte tijd is er veel veranderd in de culinaire wereld. Enerzijds komt dit doordat in de westerse wereld de welvaart globaal is gestegen en anderzijds doordat men massaal naar verre bestemmingen is gaan reizen. Maar ook de immigratie van vluchtelingen en werkzoekenden in meer welvarende naties hebben gezorgd voor verschuivingen in westerse eetgewoontes. Ik herinner me nog, dat er eind vijftiger jaren schoorvoetend “Franse kaas” op toastjes werd geintroduceerd bij een glas “droge sherry”. De plakjes smaakrijke kaas werden flinterdun gesneden en volgens mensen, die niets moesten hebben van die moderne fratsen, rook de kaas naar vuile sokken. Ook aan de smaak van olijven moest men erg wennen, maar tegenwoordig gaat Jan en alleman op zaterdag naar de markt om een paar ons knoflookolijven te scoren bij de Marokkaan. De Surinaamse roti met curry-kip, gesneden kouseband en een flinke dot sambal van geurige Mme Jeanette pepers is voor de echte doorzetters, maar ook dat gerecht is in Nederland inmiddels ingeburgerd.

Tientallen jaren geleden reisde ik voor het eerst naar Indonesie met een partner, die geen rijst lustte. Dat was lastig, want zeker in die tijd was rijst het hoofdbestanddeel van elke maaltijd. Een Indonesier eet rijst; vaak met nog iets erbij. Maar zonder rijst heeft een Indonesier niet gegeten. Alleen Chinezen hadden een alternatief: mie. Enfin, ik prees mezelf gelukkig, dat ik wel van rijst hield, want dat vergrootte de kans op een smakelijke maaltijd aanzienlijk. Het was tijdens dezelfde reis, dat in een uitspanning voor vakantiegangers in Jokyakarta iets nieuws werd aangeboden: pizza. Leuk geprobeerd, maar niet geslaagd: de pizza’s werden meestal na twee happen met een vies gezicht terzijde geschoven. Zo erg is het inmiddels niet meer. Vooral in Bali kan men in elke plaats goed en lekker eten voor elke smaak en elke beurs.

 

De koks in Bali bedienen zich inmiddels van de modernste apparatuur en verdiepen zich in hun leertijd in “Masakan Favorit Eropa”. Mijn vriend Ranto werkt als kok in “Ary’s Waroeng” aan de Jalan Raya Ubud. Het restaurant lijkt echter in niets op een warung en het menu al helemaal niet. Tot mijn grote vreugde is Ranto geneigd zijn werk mee naar huis te nemen. Vol ijver bereidde hij voor mij een ‘Boeuf Stroganoff ‘. Hij struikelt nog steeds over de naam maar met het gerecht weet hij vakkundig te goochelen. Westerse ingredienten zijn voor Indonesische begrippen relatief duur. Dit geldt met name voor melkproducten als keukenroom en kaas, maar ook voor conserven, die uit Europa worden ingevoerd, zoals bij voorbeeld olijven, kappertjes, mosterd etc. Om binnen ons budget te blijven zochten we naar oplossingen binnen het Indonesisch palet, wat nu en dan tot verrassende resultaten leidde. Zo kwam Ranto tot een Indonesische variant van Boeuf Stroganoff door in plaats van sour cream een mix te gebruiken van ongezoete yoghurt met een flinke scheut santen. Santen is verkrijgbaar in pakjes, maar is ook gemakkelijk zelf te maken: Ranto raspte het zachte vruchtvlees op een parutan, een rasp gemaakt van sprijkers in een plankje. De smaak van de santen liet zich goed verdragen met een paar fijngesneden rawitt pepertjes. Behalve een zacht gekruide aardappelpuree, liet het vleesgerecht zich ook goed combineren met gekookte rijst, op smaak gebracht met een kluwen verse pandanbladeren, die hier en daar langs de sawah groeien. Er werd een groenteschotel bij geserveerd van een inheemse vrucht, die in smaak wel iets wegheeft van de Hollandse komkommer: labu siam. De smaak is zacht en fris.

         

Tenslotte dronken we er nog een glaasje jonge, thuis bereide rode wijn bij. Niet helemaal volgens het boekje, maar wel passend in de rest van het avontuur.

Aandacht voor de situatie in Egypte.

De situatie in Egypte is zeer onstabiel.
Zoals altijd, is dit zeer bedreigend voor onschuldige groepen, die het onder normale omstandigheden al erg moeilijk hebben.
Sheila de Fretes vraagt daarom extra aandacht voor de kinderen, die onder deze omstandigheden te lijden hebben.
Zij stuurde mij -en vele anderen- het volgende bericht:

Lieve vrienden/relaties.

 

Ik hoef jullie niet te vertellen wat er in Egypte gebeurd.
Ik hoef jullie niet te vertellen hoe verschrikkelijk dit is.
Ik hoef jullie niet te vertellen wat een angst daar heerst,
Ik hoef jullie niet te vertellen dat er zoveel gewonden zijn,
Ik kan jullie zoveel willen vertellen,maar ik weet niet of iedereen kan en wil luisteren,
MAAR MIJN KINDJES ZIJN DAAR en zoveel andere,ik weet hoe ze zich voelen,
Ik weet wat ze denken,
Ik weet wat ze hopen,
Ik wil jullie alleen maar vragen een lichtje(een kaarsje) voor ze te branden.
Ik hoef en wil het niet uit leggen waarom,ik hoop dat jullie het zelf wel weten.

Liefs en dank je wel .
Sheila de Fretes,

www.sdffoundation.

 Misschien willen jullie dit aan anderen door sturen.

 

Bali, Ubud, prijzen in Bali: wat kost dat nou helemaal?

 

Bali heeft al heel lang de faam goedkoop te zijn. En voor de meeste westerlingen is Bali dat ook. De Balinezen zelf willen best van dat imago af. Het is echter niet eenvoudig om daarvan af te komen. En ook de reisgidsen zijn daarbij niet erg hulpvaardig. Ook al is een reisgids nieuw, wil dat nog niet zeggen, dat de genoemde prijzen ook up-to-date zijn. Omdat mensen met een commercieel beroep in Bali zich niet hebben georganiseerd, is de concurrentie erg groot. Een ieder probeert onder andermans duiven te schieten en dat is niet te voorkomen: iedereen heeft immers een familie om voor te zorgen? Maar het heeft veel ongewenste gevolgen.
Voor buitenlanders is het vaak moeilijk om er achter te komen wat precies de prijs van een product is. Men volgt vaak de raad van de reisgids op, die luidt: Biedt ver beneden de helft van de vraagprijs en zorg dat je op ongeveer de helft uitkomt.’ Bij de gehaaide verkopers in toeristische gebieden werkt het inderdaad zo: zij volgen de raad van dezelfde reisgidsen op en vragen in aanvang meer dan het dubbele. In tegenstelling tot wat men vaak denkt, dingen Balinezen onder elkaar helemaal niet zo dramatisch af.


 
Het sterke afdingen heeft nu en dan echter ernstige gevolgen. Bij de geldwisselaars is de truc inmiddels bekend: de grootste schurken bieden de gunstigste koersen. Al houd je nog zo strak je ogen op de handen van de wisselaar gericht, bij nader inzien ontbreekt er toch een honderduizendje of wat.
Onder de taxichauffeurs bestaat een enorme competitie. De toerist meent daarmee zijn voordeel te doen. Maar kijk uit. Als de meesten een tour aanbieden voor 450.000 rupiah, dan is dat de prijs. Een chauffeur die aanbiedt om het voor veel minder te doen, zal proberen om op een andere manier aan zijn geld te komen. Dat merk je later pas. In de simpelste gevallen wordt er achteraf extra gerekend voor benzine of government tax. Anderen proberen je in een restaurant te dumpen, waar ze een hoge commissie krijgen. Weer anderen pushen je om zilverateliers of kunst galleries te bezoeken. En soms word je met een smoesje heel ergens anders heen gebracht dan in je bedoeling lag. Dit is ontstaan doordat hun gasten de laagste prijs als norm willen hanteren. En dat is niet eerlijk en ook niet verstandig. Ik heb zelfs verhalen gehoord van mensen die ernstig geintimideerd werden en van mensen, die zonder pardon tussen de rijstvelden werden gedropt. Ook hoorde ik over gevallen waarin men voor een lage prijs een rit kreeg aangeboden, maar later te horen kregen, dat de prijs per peroon zou gelden.

Terwijl ik met enkele chauffeurs deze kwesties zit te bespreken, wordt een toeriste toegeroepen: TAXI ? “How much to the airport?” vraagt ze terug. De prijs van Ubud naar de luchthaven ligt ongeveer tussen de 180.000 en de 230.000 rupiah. Maar de chauffeur heeft nog geen rit gehad en wil erg graag nog wat geld thuisbrengen. Hij biedt haar de rit aan voor 150.000. Met een wat denigrerend glimlachje van iemand die volkomen op de hoogte is en niet van plan is om zich te laten bedotten, zegt ze: “Ooh, that is too much!” Zij hoopt dat de chauffeur met zijn prijs zal zakken en past de truc van het ‘weglopen’ toe. De chauffeur is teleurgesteld, maar roept haar niet terug. Even verder wordt ze nog een paar keer aangesproken. De vijfde heeft beet. Die doet het voor 140.000. Triomfantelijk stapt de dame in de auto. Ze heeft zojuist 80 eurocent verdiend.

Bali, Ubud, hartverwarmend bezoek in Bali Batin: Sheila de Fretes

Sheila de Fretes: Oprichtster van ‘Stichting De Paradijsvogel’ en ‘Sheila de Fretes Foundation’

De wereld is groot, maar wordt in de praktijk steeds kleiner door de moderne communicatiemiddelen en het gemak waarmee men tegenwoordig van het ene einde van de wereld naar het andere reist.
Het was louter toeval, dat mijn neef Janne uit Amsterdam op een dag Sheila tegenkwam op een tentoonstelling (of een beurs), kort voordat zij naar Bali zou vertrekken. Sheila bekeek met veel aandacht een schilderij en dat trok weer de aandacht van Janne. Zij raakten met elkaar in gesprek en van het een kwam het ander. Sheila heeft ook een neef, Jack, en die woont toevallig in Bali. Janne had nog maar net genoeg tijd om Sheila wat Hollandse lekkernijen mee te geven voor zijn nicht in Bali en intussen ontving ik een dubbel mailtje van Janne en Sheila, dat de stroopwafels onderweg waren.

Sheila heeft een heel druk leven. Ze heeft een gezin bestierd, gewerkt, gereisd. Ze heeft in Egypte gewoond. Ze heeft veel van het leven gezien en van alles wat ze zag hebben de kinderen der mensen haar altijd het meest ontroerd. Kinderen zijn onschuldig en kwetsbaar en vaak overgeleverd aan de gevolgen van de problemen in de wereld der volwassenen. Maar kinderen zijn ook de volwassenen van de toekomst. De grootste wens van Sheila was om een opvangtehuis voor ondergesneeuwde kinderen op te richten en die wens heeft ze verwezenlijkt. Vooral autistische kinderen hebben haar speciale aandacht. Om sponsors en medewerkers aan te trekken heeft zij de stichting “De paradijsvogel” opgericht. Haar doelstelling wordt duidelijk naar voren gebracht in de website van de stichting: http://www.deparadijsvogel,nl .
Maar alleen een opvangtehuis in Nederland is niet genoeg. Wereldwijd hebben vele kinderen behoefte aan hulp en steun om zich in het leven staande te houden en verder te komen. Er bestaan wereldwijd al veel opvangtehuizen en andere hulpverlenende organisaties. Men zou effectiever en efficienter hulp kunnen bieden als al deze organisaties zouden samenwerken. Daar zijn velen het over eens en regelmatig zoeken medewerkers van andere organisaties hierom contact met Sheila. Dat motiveerde Sheila tot het oprichten van de “Sheila de Fretes Foundation”. Wilt u weten wat de stichting doet? WWW.SDFFOUNDATION.COM

Op sinterklaasaond heb ik stroopwafels gesnoept, samen met mijn Balinese vriend Wayan Renta. Hij vond het lekker. Het verbaasde hem zelfs, dat men in Nederland lekkere dingen kon maken. Want drop en zuurkool had hij niet als lekkernijen ervaren. Ik had ook nog gevulde speculaas. Dat wordt speciaal gegeten tijdens het sinterklaasfeest, verklaarde ik aan Wayan. Hij wilde weten wat voor feest dat was. Het is een soort legende, zoals in de verhalen van het Ramayana, maar dan Hollands, verklaarde ik. Dan moet het een strijd zijn tussen goed en kwaad, veronderstelde Wayan. Niet echt, meende ik nu. Dit is alleen goed, speciaal voor kinderen.
Sinterklaas, Sheila, de prins op het witte paard, speciaal voor kinderen, dat kan geen toeval zijn…

Bali, Ubud, De zin of onzin van rituele verrichtingen.

Het voortrazende regenseizoen veroordeelt ons soms tot een langdurig verblijf op een overdekt terrasje in -bijvoorbeeld- Warjihouse.
Ter verpozing filosoferen wij wat over religie en de zin van het bestaan. Uit het kleine magazine “Ubud Community” citeert mijn bevriende gast een reeks ceremoniele verrichtingen, die men de komende dagen in Bali kan verwachten. Vandaag, de 23e september begint het feest met de viering van Purnama (volle maan); de 24e begint men aan de voorbereidingen van Saraswati-dag (godin van de wijsheid) gevolgd door Saraswati-dag zelf, uiteraard op de 25e september. Op de 26e, zo vervolgde hij, krijgen we de Bahyu Pinaruh, de zuivering met heilig water. Op de 27e Soma Ribek, de dag om tot Dewi Sri, de godin van de rijst te bidden, gevolgd door Pagerwesi op de 29e, de dag die gewijd is aan Sanghyang Pramesti Guru, de God van het universum.
Daarna valt er een stilte van vier dagen voordat er weer een speciale dag komt. Maar de meeste dagen in Bali zijn bijzonder en gewijd aan een of andere zaak van groot of minder groot belang. En ook op gewone dagen zijn vooral de vrouwen druk in de weer met het vlechten van kleurige en sierlijke niemandalletjes, die blijk geven van hun toewijding aan de Goden die heersen over leven en dood; geluk en tegenspoed.

Met vele anderen peinst mijn vriend hardop over het nut van deze toewijding en speekt hij zijn ongeloof uit over het geloof en wellicht de angst, die de Balinezen aanzet tot hun religieuze inzet, die niet alleen veel tijd maar vooral ook veel geld kost.
In een land als Nederland is de religie inmiddels een zeer ondergeschikte rol gaan spelen, maar in vroeger tijden, en niet eens zo lang geleden, was dat wel anders en goed vergelijkbaar met de rol die de religie in het leven der Balinezen speelt. Ik kan me een gereformeerde donderpreek nog goed herinneren en een donatie van 10 % van het bruto inkomen aan de katholieke kerk voor het onderhoud van deze instelling was niks bijzonders. Zelfs de eenvoudigste begrafenis kost spaarcenten of een deel van de erfenis. Bovendien kent de katholieke kerk minstens 365 heligen, die even zovele dagen een schijn van heiligheid geeft en ik weet zeker dat het er meer zouden zijn geweest als het aantal dagen per jaar niet tot dit getal beperkt was gebleven.
Voorheen verhief ‘het ware geloof’ zich nog boven ‘bij-geloof’ en ‘animisme’; tegenwoordig heeft ‘ongeloof’ de overhand.
Althans, zo lijkt het. Want een bestaan zonder zin is te ondraaglijk voor woorden. Men weigert eenvoudig te geloven dat er een bestaan bestaat zonder zin. De zin ervan is echter moeilijk te doorgronden voor eenvoudige schepselen die geneigd zijn om er een zeer persoonlijke individuele waarde aan toe te kennen. En zo laatdunkend als men zich waagt uit te laten over geldverslindende exotische rituele gewoontes, zo zelfgenoegzaam komt men aanzetten met pendels, tarot-kaarten, yoga-clubjes en andere fratsen die in essentie niet verschillen van de religieus getinte wijdingen.

Men verbaast zich over de ijver waarmee men in Bali offerandes creeert, hoewel het in zo’n groep bezige dames meestal heel genoeglijk toegaat. Die doen voor een groepje biljartende mannen of een bridgeclubje niet onder en wat is daarvan het nut, behalve de saamhorigheid? Nu ik het er toch over heb, wat is het nut van de tijdsbesteding in onze eigen cultuur als we bezig zijn met een postzegelverzameling, een cryptogram, een borduurwerkje, duivenmelken of het wit kalken van een muurtje?
Ik hoef daar niet lang over na te denken. Zolang we ons er goed bij voelen maakt het niet uit of we mandjes vlechten, dan wel de loop der planeten volgen en is het nuttig genoeg. Als we daarbij dan ook nog het idee hebben, dat we een aardbeving afweren of een verkeerde loopbaan voorkomen, is dat geweldig. En als de tijd rijp is, kunnen we altijd nog het wiel uitvinden. Eureka!

Bali, Ubud, andere tijden, hogere eisen. Warjihouse, kroniek afl. 38

In mijn tienertijd logeerde ik in de zomervakantie bij een tante, die aan zee woonde. Dat was geweldig. Het strand lag practisch voor de deur. Elk weekeinde was er wel ergens een danstent, waar rock en roll zelfs de meest verlegen muurbloempjes op de dansvloer lokte. En aan vriendinnen stuurde ik anzichtkaarten met in cryptische bewoordingen een voorproefje van de avontuurlijke verhalen waarmee ik later thuis zou komen. Ook mocht ik een keer mee met een schoolvriendinnetje en haar ouders, die in Frankrijk gingen kamperen. Met z’n allen lekker vrij in de natuur. Stokbrood met boter en brie. Een voorzichtige Franse zoen -of wat daarvoor doorging-. Er was weinig geld, geen internet, geen mobiele telefoon. Iedereen hurkte op hetzelfde toilet en om je bordje in het gootsteen te kunnen afwassen wachtte je geduldig op je beurt. En we zongen: “Pour moi la vie va commencer”

Zo’n tien, twintig jaar later kreeg men belangstelling voor verre bestemmingen. Indonesie was in trek bij de backpackers. De prijs van een vlucht was pittig, maar wie beschikte over een geldige studentenkaart, kon een aardige korting krijgen. En als je eenmaal in Indonesie was, kostte het leven nog maar een habbekrats. Je moest wel kakkerlakken gedogen als bedgenoot, en een vies toilet. Warme douches waren er bijna niet en met het openbaar vervoer verplaatste je je tussen de balen rijst en bosjes levende kippen. Brieven kon je tussen de beduimelde enveloppen in het bakje ‘poste restante’ vinden in het plaatselijke Kantor Pos.

Het zal ongeveer in die periode zijn geweest, dat Warjihouse werd gebouwd. Het aantal toeristen groeide jaarlijks en de kleine warung van homestay Pandawa groeide uit tot een luxe supermarkt met een grote muziekafdeling waar men goede zaken deed in illegaal gekopieerde cd’s van populaire muziek. Binnen tien jaar moest Warjihouse zich aan de veranderende eisen aanpassen en zijn koudwater mandi’s vervangen door warme douches met ligbad. Internet deed zijn intrede en de anzichtkaarten stonden te vergelen in de rekjes. De verbindingen waren nog traag en soms viel de stroom uit, maar de toon was gezet.
Vroeger peinsde men er niet over om met een kind naar een ontwikkelingsland te reizen, maar tegenwoordig komen er hele gezinnen uit Europa over voor aan paar weken vakantie in Bali. Het aantal backpackers onder de toeristen is nog maar een handjevol. De huidige toeristen komen voor de watersport, voor de golfbaan en voor de spirituele ontplooiing. Elke straat in Ubud heeft een keur aan yoga-clubjes, massagesalons, winkeltjes in kleding, kunst en antiek, enz. De souvenirs van voorheen vinden geen aftrek meer.
Ook aan de gastenverblijven worden hogere eisen gesteld. De huidige toerist lijkt een zwembad, airco en wifi als voorwaarden te stellen. Wat dat betreft is Warjihouse nog niet aangepast; voor het internet moet men nog steeds naar de shop op de hoek, voor een beetje extra koelte is men aangewezen op een plafondfan en het zwembad is maar net groot genoeg voor een paar goudvissen.


 
Op de website hebben we het daar niet over. Je laat zien wat je te bieden hebt en doet dat gunstig mogelijk. Echter, als potentiele gasten in er in hun mail naar vragen, antwoord ik, dat we geen zwembad hebben, maar dat men tegen een kleine vergoeding bij de buren mag zwemmen. Dat we geen wifi hebben, maar dat de internetshop in een straal van 50 meter rond Warjihouse te vinden is. En dat we geen airco hebben, maar dat Ubud niet zo vreselijk warm is ‘s-nachts en dat een plafondfan volstaat. Warjihouse biedt een goed bed, een warme douche en een heerlijk ontbijt.
Dat is dus helemaal uit de tijd. Toeristen komen hier niet om de wereld ontdekken of de gewoontes der Balinezen te onderzoeken. Die avonturiers had je vroeger. De huidige toerist wil even weg uit het jachtige dagelijkse leven om tot rust te komen en verwend te worden. Dat ze daarvoor naar het andere einde van de wereld reizen is bijzaak.
Het zijn vooral de jongere, moderne vakantiegangers, die wel eens teleurgesteld afhaken, als ze in Warjihouse aankomen. Geen zwembad? Geen wifi?
Ze hebben geboekt via de website, want alles wordt vooraf tot in de puntjes geregeld. Men wil in zijn vakantie onaangename verrassingen vermijden, zoals een volgeboekt hotel. “Het bleek toch al uit de website, dat we niet beschikken over die voorzieningen!” sputter ik verongelijkt tegen. De gast reageert verbaasd: “nee, maar dat spreekt toch vanzelf tegenwoordig?”
Wat gaat de tijd toch snel.
Razendsnel.

Indonesia: Rust en eenvoud in Lombok aan zee: Pondok Indah


 
 
Voor de tweede maal dit jaar vertoef ik een tijdje in Lombok. Nyoman weet zich wel raad met de drukte in Warjihouse. Hij heeft een lijstje met de boekingen voor twee weken gekregen en hoeft zich over het werven van gasten geen zorgen te maken.
Zelf ben ik de drukte even ontvlucht. In Kuta en omgeving ben ik al lange tijd niet geweest vanwege de hectische sfeer daar en de laatste tijd wordt het ook in Ubud steeds drukker. Het relatief kleine Ubud groeit uit zijn jasje en de verkeersstroom rijdt de smalle wegen aan gort. Er verschijnen steeds meer grote bussen, die inmiddels ook de kleinere toegangswegen gebruiken om op hun tochten op schema te blijven. Met de filmopnamen en de opgebroken Jalan Raya van vorig jaar leidde dit tot dagelijkse files op de belangrijkste wegen, maar ook dit jaar is de drukte niet te stuiten. Momenteel hebben we regelmatig te maken met gasten, die slechts kort blijven. Dat levert een hoop extra werk en zorg op: het dagelijks wisselen en wassen van lakens van 3 vierkante meter en het regelen van vervoer en de opvang van nieuwe gasten. Op de volgeboekte dagen vinden sommige gasten nog een plaatsje bij onze buren van ‘Eustace’ en ‘Kori Bali’. En dan zijn er altijd nog gasten, die op het laatste moment afzeggen of domweg niet verschijnen.
Na de week van upacara’s in het thuisdorp van Nyoman, waarin ik zelf een hoop van het dagelijkse werk voor mijn rekening nam, had ik behoefte aan vakantie. Ik wilde rust en stilte. Ik wilde even geen toerist zien, geen restaurant, geen bedelaar en geen verkoper.
En dat kan nog in Lombok. Mijn vriend Jelke en zijn Indonesische partner Yoyo hebben aan het zonnige noorderstrand van Lombok een idyllisch huis laten bouwen met een ruime veranda, die uitziet op de kalm kabbelende zee.

 
En daar zit ik nu. Ik kijk over de blauw-zilveren watervlakte, waarin de zon wordt weerspiegeld op de ritmisch bewegende golfjes. Er komt weinig meer voorbij, dan een kloek met haar kroost, een snuffelend hondje, een vissersbootje, of een vrouw, die palmtakken verzamelt om op te koken. En alles wat ik zo nodig doen moest is naar de achtergrond gedreven. Ik moet helemaal niets meer en waar ik me een week geleden nog zo druk over maakte, lijkt nu niet van belang.
Het is niet zo, dat er helemaal niets gebeurt. Maar alles lijkt te worden gedirigeerd door het ritme van moeder natuur. Op de tweede dag van mijn verblijf bij voorbeeld, werden de rijpe kokosnoten geplukt. Tot het moment van de oogst was het een ieder toegestaan om een gevallen kokosnoot mee te nemen voor eigen gebruik. Dat is een ongeschreven regel. Maar 1 keer in de 3 maanden worden de noten geplukt en verkocht. Op de landstrook naast het huis van Jelke en Yoyo staan 81 kokospalmen, die meer dan 1500 noten per 3 maanden opleveren. Al vroeg in de ochtend kwamen er zes mannen, die behendig boom voor boom beklommen en de noten naar beneden gooiden. De meeste bomen zijn meer dan 20 meter hoog, dus niet geschikt voor mensen met hoogtevrees.

Om 12 uur word ik thuis verwacht. De twee lieftallige jongedames, Emmy en Oes, die in “Pondok Indah” het huishouden bestieren, zetten tussen 12.00 en 12.30 de lunch op tafel. Men eet wat de pot schaft en dat bepalen de dames. Het is altijd vers, lekker en gezond. Bijna dagelijks een visje; vaak heerlijk bereide tempe; tahublokjes in een romig sausje; zacht gekruide boontjes; spinazie uit het nat. De tomaatjes, die altijd met een paar stukjes komkommer de rand van het bord garneren, smaken nog naar echte tomaten. Maar Emmy en Oes weten niet beter. Die kennen geen kunstmest. Rustig en bijna geruisloos drentelen ze over het erf, waar altijd iets te doen is. De visjes willen eten en de plantjes hebben water nodig. Het stof dat de veranda opwaait wordt twee keer per dag weer weggeveegd. Als na de lunch alles in een ommezientje weer is opgeruimd, gaan ze naar huis en komen pas terug aan het einde van de middag om het avondeten te bereiden.

Na een paar heel rustige dagen met een goed boek en mijn laptop, heb ik zin in wat meer activiteit.
Een ojek-rijder (=vervoer per motorbike), Husni, die regelmatig gasten op weg helpt die de Rinjani willen beklimmen, of op jungletocht willen naar de watervallen, had in de gaten dat er een gast was in Pondok Indah en kwam kijken, of hij zijn diensten kon aanbieden. Helaas voor hem was ik op mijn eigen motor naar Lombok gekomen, maar misschien kon hij via zijn contacten toch iets voor me regelen. Ik wilde namelijk heel graag een keer met een visser de zee op om te ervaren hoe een visser werkt. Er zijn verschillende soorten vissers: hengelaars en netslepers, die op kleine en grotere katamarans varen. Sommige hengelaars staan tot hun middel in zee, die vallen dus af. De grotere boten varen tot enkele kilometers de zee op, waar ze een uur of vier lang aan het werk blijven. De golven zijn daar hoog en een dergelijke tocht werd mij afgeraden. Een klein bootje met een hengelaar zou te saai zijn, omdat die stil op zijn plek blijft liggen. En het was nog maar de vraag of de vissers wel zin hadden in een passagier. Maar Husni zou eens met een bevriende visser gaan praten. Ze kwamen op een heel interessant idee. Voor de kust van Karang Krakas bevindt zich namelijk een zoetwaterbron in zee: ‘Mata air’ (wateroog). Als we daar heen zouden varen, kon ik die bijzonderheid aanschouwen en verder zouden we wel langs de vissersbootjes kunnen zigzaggen. Als ik wilde kon ik zwemmen en snorkelen. Maar ik houd het op varen.
Morgenochtend om 8 uur komen ze me ophalen.

Regelmatig vragen mensen om het adres van Jelke en Yoyo. In Bali is het tegenwoordig zo druk. En de Gili-eilanden, eens zo ongerept, zijn aan het veranderen in party-eilanden. Jelke zei, dat belangstellenden, die niet hangen aan luxe, maar gericht zijn op eenvoud en oorspronkelijkheid, welkom zijn in Pondok Indah. Yoyo is maar enkele maanden per jaar in Lombok, omdat hij door zijn werk nog gebonden is, maar Jelke, die sinds kort van zijn pensioen geniet, wil graag gastheer zijn voor mensen die eens iets anders willen. U kunt hem mailen naar: dipondokindah@yahoo.com of een reactie richten aan BaliBatin onderaan dit artikel.


Tegelijk met de rijpe noten werd ook het bruine loof naar beneden geworpen, waar enkele vrouwen uit het dorp op stonden te wachten. Want alles kan worden gebruikt. In een eenvoudige kampong is de kringloop van het leven nog goed zichtbaar.
Een dag later was ik te gast in de sawah, waar ter afwisseling tabak was geplant. Vanmorgen vroeg kwamen er twee jongetjes langs met een grote juten zak om gras voor hun koe te verzamelen. Voor de kust laveren rustig kleine prauwen met sleepnetten of hengelaars. en een boer leidt zijn twee koeien over het strand naar een nabij gelegen grasveldje. Bijna dagelijks maak ik een wandeling over het strand, dat niet wit en niet zwart is, maar een beetje peper- en zoutkleurig. De branding werpt een gevarieerd assortiment aan schelpjes in het zand, veel kleintjes en soms hele grote. Er ligt ook veel koraal in de toevallige kleuren rood, wit en blauw. Krabjes met vierkante rugschildjes haasten zich weg, als ik aan kom lopen. Kleine jongens spelen in zee en zeggen “Hello mister”, als ik langs loop. Vissers, die in de schaduw hun netten repareren kijken verbaasd op. Er komen niet vaak toeristen op dit gedeelte. Ze vinden het best als ik een paar foto’s maak en poseren gewillig. De jongeren onder hen beginnen een praatje met een paar woorden Engels. De brutalen onder hen nodigen mij uit om te komen zwemmen.

« Older entries