Vorstendommen in Indonesia

cropped-silatnas-raja-sultan-7-agust-2009-istana-merdeka-jkt31

Paul Kijlstra, die momenteel in oost-Java woont en dat deel van Java interessant kan belichten, is een nieuwe blog gestart. Hij kwam er achter, dat de belangstelling voor deze vorstendommen groeiende is, zowel in geschiedkundig opzicht, als met betrekking tot het cultureel erfgoed van Indonesia en voormalig Nederlands Indie.
Zijn informatie en verhandelingen hierover zijn te vinden via de volgende URL: http://sultansinindonesieblog.wordpress.com/

Advertenties

Bali, Ubud, individueel verzorgd reizen

Aan mijn gasten heb ik ondervonden, dat zij een verblijf in Bali Batin vooal plezierig vinden door de kleinschaligheid en de persoonlijke benadering. Ik kan me voorstellen dat dit vooral voor mensen geldt die alleen reizen of niet van een hotel-sfeer houden. Daarom:

Speciaal voor de oudere alleenstaande, die graag op reis wil, maar niet aan zijn lot wil worden overgelaten,
Voor de alleen reizende, die kampt met gezondheids problemen en in verband daarmee assistentie behoeft,
Voor de alleengaande, die wel gezelschap wil, maar niet van groepsreizen houdt,
En voor de reiziger die niet de hele tijd zelf het wiel wil uitvinden.
Voor deze singles organiseer ik een individueel verzorgd verblijf in mijn knusse bungalow.

Ik bied mijn gasten logies in mijn gasthuis in de vorm van twee kamers ensuite met eigen badkamer en gebruik van de ruime eetkamer, terras en tuin.
Ik ben persoonlijk de hele dag beschikbaar voor zaken van huishoudelijke aard, voor verzorging, om iets te regelen en als gezelschap.

Vooraf kunnen mijn gasten al kenbaar maken waar hun interesse naar uitgaat, zodat er eventueel onderzoek gedaan kan worden naar de mogelijkheden of -indien nodig- reserveringen kunnen worden gemaakt.

Ik kan helpen bij het opstellen van een programma en adviseren waar het gaat om uitstapjes. Ik woon al bijna 10 jaar in Bali en ben bekend met de cultuur en de mogelijkheden. En uiteraard kan een vooraf opgesteld programma per dag worden gewijzigd of aangepast.
Mijn gasten bepalen helemaal zelf hoe hun vakantie er uit zal zien.

De prijs van een individueel verzorgde vakantie is 500 euro per week voor 1 persoon. (2 personen 750 euro)
Hierbij zijn inbegrepen: logies; maaltijden; non-alcoholica; laundry; luchthaven transfers en uitstapjes per luxe taxi; Nederlands sprekende gids/gezelschap op HBO niveau; hulp bij lichamelijke ongemakken of anderszins.
Niet inbegrepen zijn: vliegticket(s) en hotels elders.

Indien u interesse hebt of meer specifieke informatie wenst, gelieve te mailen naar: balibatin@gmail,com
Hartelijke groet,
Ineke van Gemert

Indonesia, Lombok, Activiteiten aan de ongerepte noordkust.

Aan de noordkust van Lombok leven eigenlijk voornamelijk vissers en kwekers van kokosnoten. Men heeft geprobeerd om er verscheidene bedrijfjes levend te houden, maar weinig kon er gedijen. Het kweken van zeewier voor de fijne keuken was geen lang leven beschoren en ook enkele hotels hebben het niet gered, hoewel men toch een grotere toeloop van toeristen verwacht als de nieuwe luchthaven van Praya eenmaal operatief is.

 

Ranto en ik slenteren samen langs het onbezochte strand, waar de prachtigste schelpen voor het oprapen liggen. We zijn op zoek naar een gudang -een voormalige opslagplaats voor een lokaal bedrijfje- die de aandacht van Ranto had getrokken, toen hij er een foto van zag.In zijn dromen had hij het al omgetoverd tot een open keuken met een groot terras ervoor en een bedrijvige barbeque. Hij ziet het helemaal voor zich: een visrestaurantje, waarvan de aantrekkelijke geuren langswandelende gasten zouden verleiden om neer te strijken op zijn terras om zich tegoed te doen aan zijn verrukkelijke specialiteiten. Hij verdiept zich al in de kunst van het fileren en in de receptuur van fijne sauzen. Aan mij de opdracht om er een geschikte witte wijn bij te organiseren. (wat in Indonesie beslist geen simpele opdracht is) De gudang valt in het echt een beetje tegen en we begroten, dat het een flinke duit zal kosten om het geschikt te maken.

Niet ver van de gudang staat een verlaten fabriek en omdat het een beetje begint te regenen, lopen we daarheen om even te schuilen. We hebben de indruk, dat de grond in de omgeving is overgegaan op een nieuwe eigenaar. Mogelijk krijgt ook de oude fabriek een nieuwe bestemming. Als we een man met een schop zien rondscharrelen, gaat Ranto erop af om een praatje te maken en meer aan de weet te komen.
De man is de tuinman van een ibu -de zuster van een Lombokse kokosnootteler, die het terrein heeft aangekocht- en woont in een van de nieuw opgetrokken appartementen vlakbij de vervallen fabriek. Hij weet te vertellen, dat de fabriek een voormalig laboratorium is van een parelkwekerij die al een tijdje geleden falliet is gegaan. De gudang was inderdaad een opslagplaats voor olie en benzine die nodig waren voor de machines en de apparatuur in de parelkwekerij.
Op het ernaast gelegen terrein is echter een nieuwe parelkweker neergestreken, die goede zaken doet. Omdat we er toch vlakbij waren, gingen we er even een kijkje nemen. Een gezelschap van ongeveer 10 personen was er druk aan het werk.

De meesten waren bezig met het afbikken van zeepokken van grote oesterschelpen. De werkers droegen bijna allemaal stevige handschoenen om hun handen te beschermen tegen de scherpe randen van de schelpen en het koraal. Gedurende het werk werden de oesters voortdurend onder stromend zeewater gehouden, dat via een pomp door de bassins werd gestuwd. Na het afbikken werden de schelpen nog eens grondig gewassen, waarna iemand anders ze een plaats gaf in grote metalen roosters, die een klein eindje uit de kust in zee zullen worden gehangen.

Ranto fungeerde als tolk voor al mijn vragen. Zodoende kwam ik te weten, dat de schelpen in een laboratorium met rontgenstralen worden gescand en onderzocht op ziektes en de vorming van parels. De gezonde oesters zullen in zee worden teruggeplaatst en zo mogelijk worden voorzien van de gunstigste omstandigheden om parels te vormen. De behandelingen aan de wal zullen gedurende twee jaar regelmatig worden herhaald.

Na ongeveer twee jaar zijn de gevormde parels groot genoeg om te worden verwerkt tot siervoorwerpen. Ook de schelpen zelf komen in aanmerking voor verdere verwerking en worden uiteindelijk nuttig gemaakt als een handjevol overhemdknoopjes. Over een eventuele nabehandeling of selectie wist men niets te vertellen, dus dat vindt mogelijk elders plaats. In elk geval heeft een snoertje parels een langere voorgeschiedenis dan een snoer doorboorde pitten of glazen kraaltjes.
Hoewel ze eigenlijk bij elke outfit heel flatteus staan en geschikt zijn voor elke leeftijdsgroep, zijn parels in Europa weinig in trek. In Japan ligt dat heel anders. Japanse designers van sierraden en kleding maken er veel gebruik van en ik ben ook in Ubud verscheidene mooie ontwerpen tegen gekomen, Maar Nederlanders kijken en twijfelen waar Japanners kopen.

Indonesia, Lombok: een bezoek aan Kendi en de familie

 

Na twee weken werd het tijd om naar Warjihouse terug te keren.
Met Kendi had ik afgesproken dat ik op de terugweg bij hem langs zou gaan om hem en Intan op te zoeken en zijn huisje te bekijken.
De weg naar Tunjang leek nog niet zo eenvoudig, daarom spraken we af elkaar te ontmoeten in Ubung, een plaatsje aan de weg naar Praya, waar het nieuwe vliegveld van Lombok is aangelegd. Ik had een goede kaart bij me, waarop de wegen duidelijk waren aangegeven, dust ik kwam er wel uit. Dacht ik.
In het zuiden van de hoofdstad Mataram moest ik ergens linksaf. Maar waar? Op de verkeersborden stonden plaatsen aangegeven die op mijn kaart niet voorkwamen en vice versa. Na twee keer een verkeerde afslag te hebben genomen, kwam ik bij een bord, waarop zowel Lembar (de haven) als Praya (het vliegveld) stond aangduid. Als ik die weg volgde zou ik vanzelf in Ubung aankomen. Ik keek even op mijn telefoon om te zien hoe laat het was. We hadden om 9 uur afgesproken, maar het was al bijna 10 uur. Er was 11 keer naar mij gebeld, alle keren door Kendi. Toen ik hem terug belde, zat hij al ruim een uur op me te wachten (hij was goed op tijd) Ik haastte me dus in de goede richting. Ubung had ik niet herkend en ik was er doorheen gesjeesd. Met moeite kon Kendi, die me voorbij zag komen, me inhalen.

We konden direct linksaf slaan in de richting van Tunjang. De weg had nu alle kenmerken van een Indonesische B-weg met zijn hobbels en kuilen. De omgeving, waarvan Kendi had gezegd, dat hij niet erg bijzonder was, vond ik verrassend mooi. Hoewel iets minder spectaculair dan in Bali, wisselden jungle en sawah elkaar liefelijk af. We passeerden kleine dorpjes, waar ik nog oprecht werd nagestaard. Door schoolkinderen werd ik haastig nageroepen: “Hello mister, how are you!!” Als er 1x per jaar een toerist langskomt, is het veel volgens Kendi. Een heel smal pad leidde naar het groepje huizen waartussen ook het nieuwe huisje van Kendi was verrezen. Met ernstige, bijna geschokte gezichtjes keek een groepje kindjes mij aan. In hun midden zag ik de kleine Intan aan wier glinsterende oogjes ik kon zien dat ze mij herkende. Ze gaf me een slap handje en kroop weer snel tegen haar iets grotere vriendinnetje aan.

Toen we doorliepen hoorde ik haar stoer praten: ik was haar toerist. Ik stond juist het huisje te bewonderen, toen een oudere tante van Kendi kwam kennismaken. Ze drukte mij aan haar volle boezem en ik begreep dat zij de dame was, die zich al die tijd over Intan had ontfermd.
Toen ik het huisje binnenkwam wachtte mij een nieuwe verrassing: Een nichtje, Enny, die ik al eens in Ubud was tegengekomen, had een lunch klaargemaakt op het oliestel, dat Kendi zolang had geleend om eten te maken voor de mensen, die hem bij de bouw van zijn huis hadden geholpen. Kendi’s huis was nog ruw van binnen en van buiten. Maar er was al een vloer gestort en binnen lag een geleend matje om op te slapen.

De twee kamers hadden een min of meer afgescheiden slaapgedeelte, waar later een gordijn voor moest komen. Het matje werd naar voren getrokken en ik werd uitgenodigd om te gaan zitten. Er zaten prachtige handgemaakte deuren in de sponningen, die nog gelakt moesten worden, maar al voorzien waren van een slot. Ze kwamen uit op het halletje tussen de twee kamers, zodat ze niet te lijden zouden krijgen van de jaarlijkse regenbuien. Een plafond was er (nog) niet, zodat je tegen het asbesten dak aankeek. Stap voor stap zal het huis verder worden afgemaakt. Een terras heeft het huis niet, maar van het stuk grond voor het huisje wil Kendi een tuintje maken. Aan een kant is het al afgescheiden met een muur.
In de hoek van het andere kamertje lag een grote rijstzak, die ik ineens zag bewegen. Er zat een kip in. Kendi wilde hem slachten ter ere van mijn bezoek. Ik voelde me zeer vereerd, maar nee, toch liever niet. De volgende keer misschien. Ik wilde niet zo lang blijven. Als ik te laat bij de veerpont aan zou komen, riskeerde ik een middennachtelijke tocht naar Ubud en ik wilde graag op een Christelijke tijd thuiskomen. Enny serveerde het eten op de mat: rijst met gebakken aal en pittige sambal waarin bloed was verwerkt. Als toetje kregen we pakjes rode rijst met geraspte kokos en palmsuiker. Terwijl wij aten stonden de bewoners van de compound met hun handen rond hun ogen tegen het raam gedrukt om naar binnen te gluren. Een slanke oude dame permitteerde zch naar binnen te komen en mij een hand te geven. Ze was ongetwijfeld de oudste van de groep. Intan stond vooraan en had nu het hoogste woord. Het was al na eenen toen ik het gehucht weer verliet, nagezwaaid en nageroepen door de families.


 
Kendi begeleidde me helemaal naar Lembar en loodste me omzichtig langs de politie naar de boot. (3 jaar geleden is mijn rijbewijs gestolen en dat kost me bij elke aanhouding bijna 5 euro boete)
Ik zat al een uur op de boot, toen hij eindelijk vertrok. Voor de overtocht heb je een goed boek nodig, want het duurt minstens 4 uur naar Padangbai. Het was al donker, toen ik eindelijk weer van de boot af kon en ik wilde de kustweg nemen, omdat ik via Klunkung de weg niet goed ken. Echter de kustweg herkende ik ook niet, want die was over het gehele traject opgebroken wegens “operasi berbaik.” Het verkeer, dat voornamelijk uit vrachtwagens bestond, kwam maar langzaam vooruit. Links en rechts schoten motoren en personenwagens voorbij en het zand stoof in mijn ogen. Toen ik de afslag naar Sukawati tegenkwam, wist ik dat ik die naar Gianyar gemist had. Bij Pantai Sukawati ging ik dus direct de weg af. Van Sukawati naar Mas (een buitenwijk van Ubud) werd ik overvallen door een wolkbreuk. Doorweekt kwam ik in Warjihouse aan. Het was bijna 10 uur. Geen Christelijke tijd dus, maar dat kun je eigenlijk niet verwachten in het Hindoeistische Bali. De familie lag al te rusten.
De volgende dag vertelde Nyoman, dat het sinds mijn vertrek elke dag had geregend.
Ik zei: “Dan gaat vanaf vandaag de zon weer schijnen.Die heb ik namelijk uit Lombok meegebracht.”

 

Indonesia: Rust en eenvoud in Lombok aan zee: Pondok Indah


 
 
Voor de tweede maal dit jaar vertoef ik een tijdje in Lombok. Nyoman weet zich wel raad met de drukte in Warjihouse. Hij heeft een lijstje met de boekingen voor twee weken gekregen en hoeft zich over het werven van gasten geen zorgen te maken.
Zelf ben ik de drukte even ontvlucht. In Kuta en omgeving ben ik al lange tijd niet geweest vanwege de hectische sfeer daar en de laatste tijd wordt het ook in Ubud steeds drukker. Het relatief kleine Ubud groeit uit zijn jasje en de verkeersstroom rijdt de smalle wegen aan gort. Er verschijnen steeds meer grote bussen, die inmiddels ook de kleinere toegangswegen gebruiken om op hun tochten op schema te blijven. Met de filmopnamen en de opgebroken Jalan Raya van vorig jaar leidde dit tot dagelijkse files op de belangrijkste wegen, maar ook dit jaar is de drukte niet te stuiten. Momenteel hebben we regelmatig te maken met gasten, die slechts kort blijven. Dat levert een hoop extra werk en zorg op: het dagelijks wisselen en wassen van lakens van 3 vierkante meter en het regelen van vervoer en de opvang van nieuwe gasten. Op de volgeboekte dagen vinden sommige gasten nog een plaatsje bij onze buren van ‘Eustace’ en ‘Kori Bali’. En dan zijn er altijd nog gasten, die op het laatste moment afzeggen of domweg niet verschijnen.
Na de week van upacara’s in het thuisdorp van Nyoman, waarin ik zelf een hoop van het dagelijkse werk voor mijn rekening nam, had ik behoefte aan vakantie. Ik wilde rust en stilte. Ik wilde even geen toerist zien, geen restaurant, geen bedelaar en geen verkoper.
En dat kan nog in Lombok. Mijn vriend Jelke en zijn Indonesische partner Yoyo hebben aan het zonnige noorderstrand van Lombok een idyllisch huis laten bouwen met een ruime veranda, die uitziet op de kalm kabbelende zee.

 
En daar zit ik nu. Ik kijk over de blauw-zilveren watervlakte, waarin de zon wordt weerspiegeld op de ritmisch bewegende golfjes. Er komt weinig meer voorbij, dan een kloek met haar kroost, een snuffelend hondje, een vissersbootje, of een vrouw, die palmtakken verzamelt om op te koken. En alles wat ik zo nodig doen moest is naar de achtergrond gedreven. Ik moet helemaal niets meer en waar ik me een week geleden nog zo druk over maakte, lijkt nu niet van belang.
Het is niet zo, dat er helemaal niets gebeurt. Maar alles lijkt te worden gedirigeerd door het ritme van moeder natuur. Op de tweede dag van mijn verblijf bij voorbeeld, werden de rijpe kokosnoten geplukt. Tot het moment van de oogst was het een ieder toegestaan om een gevallen kokosnoot mee te nemen voor eigen gebruik. Dat is een ongeschreven regel. Maar 1 keer in de 3 maanden worden de noten geplukt en verkocht. Op de landstrook naast het huis van Jelke en Yoyo staan 81 kokospalmen, die meer dan 1500 noten per 3 maanden opleveren. Al vroeg in de ochtend kwamen er zes mannen, die behendig boom voor boom beklommen en de noten naar beneden gooiden. De meeste bomen zijn meer dan 20 meter hoog, dus niet geschikt voor mensen met hoogtevrees.

Om 12 uur word ik thuis verwacht. De twee lieftallige jongedames, Emmy en Oes, die in “Pondok Indah” het huishouden bestieren, zetten tussen 12.00 en 12.30 de lunch op tafel. Men eet wat de pot schaft en dat bepalen de dames. Het is altijd vers, lekker en gezond. Bijna dagelijks een visje; vaak heerlijk bereide tempe; tahublokjes in een romig sausje; zacht gekruide boontjes; spinazie uit het nat. De tomaatjes, die altijd met een paar stukjes komkommer de rand van het bord garneren, smaken nog naar echte tomaten. Maar Emmy en Oes weten niet beter. Die kennen geen kunstmest. Rustig en bijna geruisloos drentelen ze over het erf, waar altijd iets te doen is. De visjes willen eten en de plantjes hebben water nodig. Het stof dat de veranda opwaait wordt twee keer per dag weer weggeveegd. Als na de lunch alles in een ommezientje weer is opgeruimd, gaan ze naar huis en komen pas terug aan het einde van de middag om het avondeten te bereiden.

Na een paar heel rustige dagen met een goed boek en mijn laptop, heb ik zin in wat meer activiteit.
Een ojek-rijder (=vervoer per motorbike), Husni, die regelmatig gasten op weg helpt die de Rinjani willen beklimmen, of op jungletocht willen naar de watervallen, had in de gaten dat er een gast was in Pondok Indah en kwam kijken, of hij zijn diensten kon aanbieden. Helaas voor hem was ik op mijn eigen motor naar Lombok gekomen, maar misschien kon hij via zijn contacten toch iets voor me regelen. Ik wilde namelijk heel graag een keer met een visser de zee op om te ervaren hoe een visser werkt. Er zijn verschillende soorten vissers: hengelaars en netslepers, die op kleine en grotere katamarans varen. Sommige hengelaars staan tot hun middel in zee, die vallen dus af. De grotere boten varen tot enkele kilometers de zee op, waar ze een uur of vier lang aan het werk blijven. De golven zijn daar hoog en een dergelijke tocht werd mij afgeraden. Een klein bootje met een hengelaar zou te saai zijn, omdat die stil op zijn plek blijft liggen. En het was nog maar de vraag of de vissers wel zin hadden in een passagier. Maar Husni zou eens met een bevriende visser gaan praten. Ze kwamen op een heel interessant idee. Voor de kust van Karang Krakas bevindt zich namelijk een zoetwaterbron in zee: ‘Mata air’ (wateroog). Als we daar heen zouden varen, kon ik die bijzonderheid aanschouwen en verder zouden we wel langs de vissersbootjes kunnen zigzaggen. Als ik wilde kon ik zwemmen en snorkelen. Maar ik houd het op varen.
Morgenochtend om 8 uur komen ze me ophalen.

Regelmatig vragen mensen om het adres van Jelke en Yoyo. In Bali is het tegenwoordig zo druk. En de Gili-eilanden, eens zo ongerept, zijn aan het veranderen in party-eilanden. Jelke zei, dat belangstellenden, die niet hangen aan luxe, maar gericht zijn op eenvoud en oorspronkelijkheid, welkom zijn in Pondok Indah. Yoyo is maar enkele maanden per jaar in Lombok, omdat hij door zijn werk nog gebonden is, maar Jelke, die sinds kort van zijn pensioen geniet, wil graag gastheer zijn voor mensen die eens iets anders willen. U kunt hem mailen naar: dipondokindah@yahoo.com of een reactie richten aan BaliBatin onderaan dit artikel.


Tegelijk met de rijpe noten werd ook het bruine loof naar beneden geworpen, waar enkele vrouwen uit het dorp op stonden te wachten. Want alles kan worden gebruikt. In een eenvoudige kampong is de kringloop van het leven nog goed zichtbaar.
Een dag later was ik te gast in de sawah, waar ter afwisseling tabak was geplant. Vanmorgen vroeg kwamen er twee jongetjes langs met een grote juten zak om gras voor hun koe te verzamelen. Voor de kust laveren rustig kleine prauwen met sleepnetten of hengelaars. en een boer leidt zijn twee koeien over het strand naar een nabij gelegen grasveldje. Bijna dagelijks maak ik een wandeling over het strand, dat niet wit en niet zwart is, maar een beetje peper- en zoutkleurig. De branding werpt een gevarieerd assortiment aan schelpjes in het zand, veel kleintjes en soms hele grote. Er ligt ook veel koraal in de toevallige kleuren rood, wit en blauw. Krabjes met vierkante rugschildjes haasten zich weg, als ik aan kom lopen. Kleine jongens spelen in zee en zeggen “Hello mister”, als ik langs loop. Vissers, die in de schaduw hun netten repareren kijken verbaasd op. Er komen niet vaak toeristen op dit gedeelte. Ze vinden het best als ik een paar foto’s maak en poseren gewillig. De jongeren onder hen beginnen een praatje met een paar woorden Engels. De brutalen onder hen nodigen mij uit om te komen zwemmen.

Indonesië, Lombok, landbouw: eerst rijst, dan tabak ter afwisseling

 

Tijdens mijn tweede verblijf te Karang Karakas in Lombok wilde ik graag de rijstbouw daar vergelijken met de methodes in Bali. Ik stuitte direct op een belangrijk verschil. Ik was uitgenodigd om de sawah van Sulasi te bezoeken, maar hij verbouwde op dat moment geen rijst. Zijn akkers stonden vol tabaksplanten. De akkers die voor rijst waren bestemd werden nu en dan gebruikt voor een ander gewas om verarming van de grond en het ontstaan van schadelijke ziekten tegen te gaan. In Bali geeft men de sawah na elke oogst een paar maanden ‘vakantie’. In Lombok benut men de grond voor een ander gewas, zodat het bedrijf zijn productie kan voortzetten. De Indonesische overheid is de belangrijkste afnemer voor dit product.Een voordeel van de tabaksteelt is, dat het minder water vraagt en men gedurende lange tijd kan oogsten, omdat de plant geleidelijk zijn product levert, namelijk de grotere bladeren. Er is dus altijd wat te doen in de akker, maar het oogsten zelf is een stuk minder intensief dan de oogst van de padi. Gedurende de groei is het van belang de grond rond de tabak vrij van onkruid te houden en de aarde te bevochten en te bemesten.

Een probleem vormen de rupsen en de sprinkhaantjes, die op de sappige blaadjes afkomen. (bij de rijstbouw zijn dat de ratten, die de halmen voortijdig vellen en de locust, die de nog zachte korrels leegzuigen)

De geplukte tabaksbladeren worden aan een koordje geregen en in de zon te drogen gehangen. Als de bladeren droog genoeg zijn, hangt men ze onder een plastic zeil om ze tegen verdere weersinvloeden te beschermen.

In dit stadium worden ze verkocht en naar een fabriek gebracht voor verdere bewerking.
Maar de boeren zelf houden er ook een volle tabakszak aan over: een klein deel van de tabak wordt gesneden en gedroogd voor eigen gebruik.

Een ander stuk van de akker is intussen in gebruik voor het telen van groenten, zoals boontjes, aardnoten, komkommer, lombok rawit, singkong en tomaten. Voor eigen gebruik en voor de markt. 
De arbeidsters wilden graag weten, wat er in Nederland werd verbouwd. Ik ging een rijtje af: tarwe en aardappelen, maar ook boontjes, uien en komkommer zoals in Lombok. Echter geen papaya, kokosnoten en kangkung.  Daar stond tegenover dat we in Nederland appelboomgaarden hebben, wat in Indonesie in hoog aanzien staat. Hoewel de appel uit Malang slechts een melige variant is op de cox uit Nederland, is hij zeer geliefd.
“Snoep gezond, eet een appel”  is hier geen gezegde. Veel te duur. Neem maar een banaan of een mango, die groeien in de tuin.

 

Indonesië, Lombok: Nieuws over het huisje van Kendi en Intan.

 

Het was al laat in de middag, toen ik een sms-je kreeg van Kendi, dat hij op weg was naar Bali. Hij wilde graag direct langskomen om de foto’s van zijn huisje te laten zien. Het geld is nu even op, maar de muren staan overeind, de kozijnen zitten erin en het dak (van asbestplaat) zit erop. De deur staat klaar.

Kendi bevond zich op het moment van zijn berichtje op de ferry die van Lembar naar Padangbai heen en weer vaart. Ik besloot om die reden thuis te koken, want jonge knapen hebben altijd honger, weet ik uit ervaring.
Het was al donker en het begon juist een beetje te regenen, toen Kendi opnieuw een sms-je zond, dat hij in Ubud was aangekomen en vroeg of hij wel gelegen kwam. Hoewel ik hem verzekerd heb, dat hij altijd welkom is, blijft hij op zijn hoede. Het leven heeft hem geleerd, dat je beter geen vijanden kunt maken.
Toen hij -een beetje verregend en verlegen- het terras opkwam, zag ik aan zijn gezicht, dat alles in Lombok naar wens was verlopen. Hij wilde eerst de foto’s laten zien en dan pas eten. Ik zette meteen de computer aan om de foto’s te downloaden en ik was verrast over het bouwwerkje waarvan ik een maand geleden nog slechts de stapels zand en stenen had gezien. Het wordt een leuk huisje met twee kamertjes, waartussen een ruimte voor andere zaken. Voor het huisje is nog ruimte voor een tuintje. Ik liet hem mijn tomatenplanten zien, Dat vond hij ook wel wat. Maar oppassen voor kippen!

Ze kunnen er nog niet in slapen. Het moet nog afgewerkt worden. De muren zijn nog niet gepleisterd, de vloer is nog van zand, in de kozijnen zitten nog geen ruiten en voor de deuren heeft hij nog geen hang- en sluitwerk. Over een keuken en een badkamer hoeft hij zich niet druk te maken: baden doen ze in de rivier en koken kan op een vuurtje tussen een paar stenen. Aan meubilair denkt hij nog niet. Maar als je niks hebt, heb je ook niet veel kastruimte nodig. Een tafeltje kan hij zelf wel maken. Als hij er geld voor had, zou hij eerst een matras kopen. Intan heeft nog nooit op een matras geslapen. Hij lacht, laat zich achterover op mijn matras vallen en zegt :”Sekarang mau makan.” (nu wil ik wel eten) Hij is zichtbaar in zijn nopjes.
Ik had nog een verrassing voor hem: mensen hadden geld op mijn rekening gestort, waarschijnlijk genoeg voor ruiten, scharnieren en deurknoppen.
Als het af is, mag ‘mama’ een keertje komen kijken, dan kan Kendi ‘mama’ thuis ontvangen en een kop koffie geven. Daar moet het naar toe.

Indonesie, Bali: ER ZIJN BALINEZEN EN ANDERE MENSEN.

 

In Bali wonen voornamelijk Balinezen, maar de laatste tijd komen er steeds meer mensen van buiten Bali op dit eiland wonen. In de eerste plaats een hoop mensen uit Java, die werk zoeken of creëren in het meer welvarende Bali. De meesten strijken neer in het westen en in steden als Denpasar en Kintamani. Dan zijn er nog een aantal gelukzoekers, die een graantje mee willen pikken van het geld dat de toeristen inbrengen. Zij bieden zich aan als gids, masseur, bewaker en zelfs als minnaar. Niet zelden zijn het jonge vrijbuiters, die de armoede en het keurslijf uit hun eigen streek ontvluchten op zoek naar snelle avontuurtjes en de jackpot. Dit, tesamen met de aangetaste reputatie die aanhangers van de Islam toch al met zich meevoeren, maakt dat deze groep door de Balinese bevolking met wantrouwen wordt bejegend. Soms terecht, maar natuurlijk niet altijd.
De Balinezen zelf staan bekend als een vriendelijk, maar trots volk. Zij tolereren veel, maar leggen kritiek naast zich neer. Op zeer overmoedige wijze zijn ze zelfbewust: er bestaan twee soorten mensen: de Balinezen en de rest van de wereld. Deze houding, deze visie, heeft consequenties voor iedereen, die in Bali woont. Zowel voor de meer welgestelde buitenlanders, die vooral om hun investeringen worden gewaardeerd, als voor de behoeftigen van buitenaf, die weing compassie hebben te verwachten.
Een voorbeeld uit die laatste groep is Kendi, een jongeman uit Lombok. De ouders van Kendi kwamen uit het arme Lombokse binnenland, die waarschijnlijk naar Bali zijn vertrokken in de hoop op betere omstandigheden. Helaas hield het huwelijk onder de druk van de armoede geen stand, wat uiteindelijk de twee kinderen hebben moeten bezuren. Kendi werd op achtjarige leeftijd met zijn broertje gedropt bij een groep Lombokkers, die al eerder in Bali was neergestreken. Zowel vader als moeder ging er vandoor met een nieuwe partner, bij wie de kinderen niet welkom waren. Door hard werken moest Kendi in eigen levensonderhoud voorzien. Geld en tijd voor school was er niet meer. En ook geen huis, geen bed. Voor Balinese kinderen wordt meestal wel gezorgd, jongens zijn erfgenamen van de familie en meisjes kunnen werken en helpen in de huishouding. Maar wie buiten de boot valt heeft eenvoudig pech gehad: een slecht karma. Niets in te brengen dan lege briefjes. Kendi heeft er mee leren leven. Hij houdt zich klein en ongevaarlijk. Hij stelt geen eisen en uit geen klachten. Hij is vriendelijk, vrolijk en op zijn hoede. Zijn houding is erop gericht te overleven in een onberekenbare wereld, waarvan hij niets heeft te verwachten.
Maar Kendi is ook gewoon een jongen, die rijpere gevoelens krijgt, zoals elke jongen van zijn leeftijd. Die leert roken en motorrijden. Die mee luistert en fluistert van sterke verhalen, branie en sex. En opgestookt door oudere jongens, doet hij ‘
het‘ op een keer met een gewillig Balinees meisje. En wat zelden de eerste keer gebeurt, overkwam hem: het was meteen raak. Meisje zwanger en in tranen, de familie boos en in alle staten en Kendi bang als voor de dood. Hij moest trouwen om de eer van het meisje te redden. Als een getrouwd stel konden ze echter niet leven, dus het meisje bleef bij haar ouders wonen, waar na 9 maanden een meisje werd geboren: Intan. Niemand was echt blij met de kleine Intan. De moeder niet, omdat ze haar leven als verpest beschouwde, de familie niet, omdat de zaak weinig eervol was en bovendien een meisje had opgeleverd. Geen erfgenaam dus en nog een bastaard ook. En uiteraard ook Kendi niet, die zich het krijgen van kinderen wel anders had voorgesteld en niet wist hoe hij voor zijn dochtertje moest zorgen. Hij kon amper voor zichzelf zorgen.
Toen Intan twee jaar oud was, ging de moeder er vandoor en liet Intan bij haar familie achter. Het meisje begon prekend op haar vader te lijken, die -hoe moeilijk de omstandigheden ook waren- veel van Intan was gaan houden. Hij heeft Intan bij de familie van de moeder weggehaald en ondergebracht bij mensen uit Lombok, opdat ze zal opgroeien en gekoesterd zal worden als een Lomboks meisje. De helft van zijn schamele inkomen besteedt hij aan haar verzorging. Hij vond onderdak en werk bij een Nederlandse emigrant, die zich zijn lot heeft aangetrokken. Kendi’s droom is: terug naar Lombok om daar een huisje te bouwen, waar hij samen met zijn dochtertje kan wonen en voor haar kan zorgen. Zijn weldoener heeft hem op weg geholpen door een stukje grond voor hem te kopen. Stukje bij beetje spaart hij een deel van zijn loon op om bouwmaterialen te kopen. Maar het gaat erg langzaam. Voor Nederlandse begrippen kost de bouw van een huisje in Lombok een schijntje: ongeveer anderhalf duizend euro. Ik ben zelf momenteel niet in de omstandigheden dat ik een modaal salaris verdien, maar ik heb 500 euro gedoneerd voor dit kleine project. Wie zich geroepen voelt om iets aan de omstandigheden van Kendi en Intan te helpen verbeteren, nodig ik uit om iets te doneren; ook een klein bedrag heeft hier al grote impact.
Doneren kan op mijn ABN-AMRO rekening nr. 40 50 22 158 t.n.v. C.E. Van Gemert o.v.v. Kendi & Intan. Kendi neemt foto’s van de vorderingen die hij met de bouw van zijn huisje maakt en ik houd iedereen daarvan op de hoogte. Bij voorbaat hartelijk dank.


Tunjang, het geboorte-dorpje van Kendi, ligt ten noorden van de nieuwe internationale luchthaven.

Indonesia, Lombok, de vissersgemeenschap van de noordkust.


Hoewel februari onverwacht een drukke maand is gebleken, werd het in de laatste week rustig genoeg om er even tussenuit te gaan. Waarschijnlijk de laatste mogelijkheid voor het hoogseizoen, want er gaan in het jaar 2010 weer heel veel mensen met vakantie en ze zijn zich al druk aan het orienteren voor wat betreft hun vakantiebestemming. Mede dankzij de shootings voor de verfilming van de bestseller “Eat, pray, love.” door Elizabeth Gilbert trok Ubud de vorige zomer veel publiek. Vooral vrouwen, die herkenning vonden in de verhalen van Gilbert wilden Ubud bezoeken om nog meer verbondenheid te ervaren met het boek dat hun zo inspireerde. En zo blijft Ubud groeien als het van oudsher Balinese middelpunt van kunst en cultuur. Ik verwacht niet dat de belangstelling voor Ubud zal teruglopen dit jaar, dus ik heb een paar dagen vakantie genomen, nu het nog kon.
Een goede vriend van me die een ruim huis heeft gebouwd aan de rustige noordkant van Lombok, had mij uitgenodigd om hem daar te bezoeken. Net als vorig jaar toen ik een uitstapje maakte naar Gili Meno, koos ik ook nu voor de eenvoudige ferry om van Padangbai naar Lembar over te steken. Van de shuttlebus heb echter ik geen gebruik gemaakt. In plaats daarvan heb ik me laten brengen en halen door een “ojek”, vervoer op de motorbike. Dat is na de shuttlebus de goedkoopste oplossing en het gaat een stuk sneller. Eenmaal in Lombok ging de reis via Mataram naar Bangsal, dat vlak voor de haven naar de Gili’s ligt. Van Bangsal leidde een kustweg naar het gehucht Krakas, dat bekend is om zijn zoetwater bronnen in zee, vlak voor de kust. Het was daar ongeveer, dat ik gedurende twee dagen over de rustig kabbelende watervlakte uit keek, onophoudelijk gestreeld door een zoele, vriendelijke wind.


Vanaf de kustweg leidt een lang breed pad dwars door de kampong naar het grijze strand, waar de vissers hun smalle bootjes aan wal trekken. Door een opening in de koraalrand, die enkele tientallen meters als een borstwering voor de kust is opgebouwd, varen de bootjes dagelijks de zee op om hun dagelijks voedsel uit het water te vissen en misschien iets extra om in geld om te zetten.

De eenvoud en de rust, die op de kleine Gili-eilandjes inmiddels volkomen door commerciele uitbaters zijn uitgehold, zijn aan de noordkust van Lombok nog authentiek. De kindertjes, die in de namiddag over het strand huppelen vragen niet om rupia’s, maar om een lege fles waar ze mee kunnen voetballen. En vissers die niet over een boot beschikken, staan tot hun borst in het zeewater om met een lange lijn vis uit het water te hengelen. Honden trekken in kleine roedels langs het strand op zoek naar voedsel. En ik, zoals veel westerlingen, jut op mooie schelpen. Maar er was meer langs de kust, dat mijn aandacht trok. Ook daar, in een nagenoeg onbedorven gebied, worden bungalows, restaurantjes en hotelletjes gebouwd. Want toeristen, die het geciviliseerde Bali voor gezien houden, trekken verder naar Lombok om de grote vulkaan Rinjani te beklimmen en om te genieten van Lomboks prachtige natuur en zijn vele watervallen. Die avonturiers willen eten en slapen, vervoer en een gids. Een dame uit Sumbawa en haar Belgische echtgenoot speelden daar diplomatiek op in door een restaurant en een bungalow parkje aan te leggen met uitzicht op zee. “Pondok Pantai”, noemden ze hun onderneming, wat letterlijk ‘strandhut’ betekent. Ze hadden originele paalhutjes uit Sumbawa over laten komen en die omgebouwd tot ydillische bungalowtjes. Het restaurant was ingericht boven de receptie en gaf een prachtig wijds uitzicht over zee. Het werd zelfs genoemd in de Lonely Planet Guide. En omdat het de enige gelegenheid in de omgeving was, werd het relatief druk bezocht. Helaas kreeg het ondernemende stel te maken met tegenslag. Eerst verminderde de toeristenstroom door de bomaanslagen in Bali en daarna sloeg de zee toe. Inmiddels is het toerisme weer op gang gekomen, maar de zee blijft land eten. Van alles hebben ze geprobeerd om de zee te bedwingen. Ze hebben muren geplaatst en grote tonnen vol beton gestort, maar niets kon de uitvallen van de zee weerstaan. De leuke Sumbawase hutjes verdwenen in zee en van het huis, de receptie en het restaurant bleef niet veel meer over dan een paar ruines.

Pondok Pantai is nu gesloten en het terrein maakt een troosteloze indruk.
De oorzaak van deze narigheid ligt -naar het schijnt- bij het gedrag van de vissers. Zij brengen met hun vissersgereedschap ernstige schade toe aan de koraalrand, die voorheen functioneerde als een natuurlijke zeewering. Door de beschadigingen is de functionaliteit als golfbreker sterk verminderd, waardoor de zee zich verder landinwaards werpt.

En de vissers? Die moeten ook ergens van leven en zijn zich amper bewust van wat ze aanrichten.
Een verder noordelijk gelegen resort kampt met dezelfde dreiging en men heeft uit voorzorg zandzakken rond de tuin opgetast. Voor de zee zal het echter een koud kunstje zijn om zie barriere af te breken. Voorlopig is er nog geen oplossing voor dit probleem. En ook mijn vriend, die nu nog vredig vanaf zijn ruime veranda over het voortdurend deinende water uitkijkt, vreest dat hij over geruime tijd nog maar de helft van de grond zal bezitten, die hij aanvankelijk kocht. Op een dag zal de zo kalm ogende waterplas zich een weg banen onder de palen van zijn mooie veranda. Want bij zijn oude buurman, die ietsje lager woont, stroomt bij hoog tij het water af en toe al onder het huis door, alles met zich mee sleurend, dat niet hoog was opgeborgen.
De kampongbewoners lijken over het probleem niet na te denken. Dagelijks roosteren de vrouwen de vers binnengebrachte vis, die met kangkung en witte rijst gegeten wordt. Tussentijds vegen ze het strand aan, verzorgen ze de babies en doen ze de was. Tot de volgende vis wordt aangeleverd.
Natuurlijk is dit een momentopname. Ik kan niet voorspellen of de huidige landeigenaren tot overeenstemming zullen komen met de overheid, danwel met de vissers of via andere weg een oplossing zullen vinden voor deze voortschrijdende vorm van erosie. Ik heb alleen even een paar dagen vakantie gehad, zonder internet, zonder agenda, zonder gasten.

Ik ben achterop een brommertje landinwaards gegaan om de mooie watervallen (air terjun Gangga) te zien en het groene sawah-landschap tussen de beboste bergen. Ik ben op bezoek geweest bij een oude veehouder, die dagelijks met zijn vijf koeien over het strand naar een verderop gelegen weitje wandelt. Ik werd verwend met lokale lekkernijen, want de Sasaks vierden juist het Islamitische Nieuwjaar. De oude man was een beetje ziek, “panas dalam”, zei hij. (heet van binnen) Daarom at hij weinig, maar hij liet zich zijn genotmiddelen, bestaande uit sirihblad, betelnoten, kalk en tabak goed smaken.

Heel goed voor de tanden, verklaarde hij, terwijl met een propje van zijn drugs demonstratief over het restant van zijn gebit wreef. Toen de stiltes, die ontstonden tussen de weinige woorden die onze gemeenschappelijke vocabulaire rijk was, langer werden, bedankte ik voor zijn gastvrijheid en trok ik me weer terug via het erf van de buren naar de hooggelegen veranda van mijn gastheer.
Na twee dagen serene rust vertrok ik weer richting Bali. Samen met mijn gastheer bracht ik nog even een bezoekje aan restaurant “Arnel” in Bangsal, dat wordt gerund door de Nederlandse George Smit en diens vriendelijke Sumatraanse vrouw Nelly. Hun restaurant ligt op het strategisch kruispunt tussen de routes naar de berg Rinjani en de weg naar de oversteek voor de Gili eilanden.

In de keuken zwaait Nelly de scepter. Zij is opgegroeid met de rijke, Padangse keuken, maar weet ook goed raad met de westerse smaken. Voor mensen, die de boot hebben gemist naar Gili Trawangan, hebben George en Nelly een paar leuke bungalowtjes ter beschikking, waar men voor een redelijke prijs in een schoon bed kan slapen. Ook is het een geschikte pleisterplaats voor de mensen, die verder willen reizen naar het noord-oosten en Pondok Pantai gesloten vinden. Het scheelt maar tien minuutjes op de brommer.
En als u daar dan toch bent: doe George en Nelly de hartelijke groeten van Ineke uit Ubud!